Iedereen kent ze. Ouderen zoals mijn grootmoeder die moeite hebben met aankleden: En af en toe een pilletje vergeten. Het geheugen werkt niet meer optimaal en een trillende hand maakt hen hulpbehoevend. Los van die kleine dingen is er niks aan de hand.
Geen reden om een 32 vierkante meter ’grote’ kamer in een verzorgingstehuis te betrekken. Als ze naar buiten kijkt, ziet ze een enorme parkeerplaats. Had mijn oma maar iemand als Carolien. Dan woonde zij nu nog in het huis waar twintig jaar geleden haar man overleed. Dronk ze koffie aan haar eigen keukentafel en keek ze naar haar eigen buurtkinderen. Af en toe zou ze de deur openmaken voor de Groningse collega van Carolien. Die zet dan de insulinespuit in de ader die mijn grootmoeder niet meer vindt en vult de medicijndoos bij. Ze drinken een bakje en maken een praatje. Daarna gaat ieder zijn eigen weg. Oma gaat bridgen, doet boodschappen, en stopt de kinderen uit de buurt snoep toe. In het verzorgingstehuis gaat dat anders. Van 09.45 tot 10.30 is uur koffie drinken. De warme hap staat om 12.30 uur klaar. In het pand werken tientallen verpleegkundigen die het allemaal druk hebben. Ze beantwoorden alleen de zorgvraag. Tijd om te vragen of alles goed gaat, is er niet. Koffie drinken ze in de personeelsruimte. Gezellig. Oma praat over vroeger en vraagt zich hardop gaat hoe het gaat met Tim. De lieve buurjongen met pretoogjes die altijd aan het voetballen was. Had zij maar iemand als Carolien.
,
sjouke van houten


