De Pieterskerk werd een zandput met luciferhoutjes; unieke middeleeuwse constructie werd achteloos vernield

In de winter van 1979-’80 gingen alle zerken van de graven af.
© Illustratie Eric Coolen

Op 21 februari 1979 kwam in de bestuursvergadering van de stichting Pieterskerk een brief ter sprake, die afkomstig was van de ’Afdeling Geschiedenis der Geneeskunde van de R.U.L.’ Als de graven dan toch opengingen, mocht dan misschien een zekere George Maat (nu 74), fysisch antropoloog, daar onderzoek in doen?

Dit is het tweede en laatste deel van een groot onderzoeksartikel over wat er tijdens de restauratie van 1978-1982 gebeurde met de stoffelijke resten in de keldergraven van de Pieterskerk.

Lees hier deel 1: Het ware verrassende, onwaarschijnlijke en schokkende verhaal over de graven in de Pieterskerk

De stichting voelde er wel wat voor een onderzoek van George Maat. In de kerk lagen notabelen uit vroeger eeuwen begraven. Zonder onderzoek zouden zij ongemerkt onder de vloerverwarming verdwijnen. Het zou mooi zijn als Maat en zijn team de stoffelijke resten van beroemdheden als de theoloog Jacobus Arminius (1560-1609), de schilder Jan Steen (1626-1679), de arts Herman Boerhaave (1668-1738) en natuurkundige Sebald Justinus Brugmans (1763-1819) op wetenschappelijk verantwoorde wijze konden veiligstellen. De operatie was bovendien niet duur: Maat diende een begroting in van 5000 euro.

Maat wilde wel aan het verzoek voldoen, maar zijn eigenlijke belangstelling lag ergens anders. Hij wilde onderzoek doen naar de lichaamslengte van mensen uit de tweede helft van de 17de en de 18de eeuw. ,,Op dat moment was daar nog niets over bekend’’, zei hij in april 1994 in de twaalfde Pieterskerklezing. Om de graven van die prominenten te vinden, was het onderzoek van Oomes ’zeer essentieel’. Hij kende immers de combinatie van de nummers van de grafkelders en de bijbehorende zerken. Als de naam op de zerk stond, kon het bijna niet anders of de gezochte ’prominent’ lag in het graf eronder. Maat en zijn collega’s openden in totaal 42 graven. Hierin troffen zij de resten aan van 209 mensen, waaronder die van hoogleraar anatomie Bernhard Siegfried Albinus (1697-1770), Brugmans en in een ’schudkistje’ botten waarvan kon worden vermoed dat die van Boerhaave waren geweest.

(Tekst gaat door onder de foto)

De verzamelgraven waren tot de rand gevuld met ’luciferhoutjes’.
© Foto Annette Donker

Op 3 oktober 1979 kon Leidens Ontzet nog in de kerk worden gevierd, daarna ging het slot erop. De hoofdaannemer, de firma Woudenberg uit Ameide, had het bouwrijp maken van de ondergrond uitbesteed aan het Haagse familiebedrijf J.J. van der Hoeven grond- en sloopwerken. Ton van der Hoeven (nu 74) had de leiding over het werk.

De nieuwe vloer moest bestaan uit een laag ’constructiebeton’ van twaalf centimeter, met daarop een ’cementgebonden vloer van zand en kleine grindstenen’ van acht centimeter. Daarin zou Wolter & Dros de verwarmingsinstallatie inbouwen. Daar bovenop kwam nog een zandlaag van gemiddeld 35 centimeter dik, waarin de zerken moesten worden gesteld. Inclusief zaken als folie en een kurklaag, was de nieuwe vloer ruim een halve meter dik.

(Tekst gaat door onder de foto)

Er ging voor 120.000 gulden aan zand in de kerk.
© Foto Annette Donker

Het was de bedoeling dat Van der Hoeven een stevige ondergrond zou creëren voor de nieuwe vloer. Niemand wist van tevoren hoe dat precies moest gebeuren. Want ja, zegt Ton van der Hoeven, ,,we wisten, zoals altijd bij dit soort restauratieprojecten, niet wat we onder de zerken zouden tegenkomen.’’ Er waren wel ideeën en wensen. De Rijksdienst voor de Monumentenzorg en Van der Sterre-Peetoom wilden graag de graven behouden. Zij hoopten dat de honingraatachtige structuur van de halfsteens grafmuurtjes sterk genoeg zou zijn om de betonvloer op te funderen.

Eerst haalde Van der Hoeven heel voorzichtig alle zerken uit het schip. Daarvoor had het bedrijf een vorkheftruck. De zerken werden met menie genummerd volgens het systeem van de begraafboeken zoals Oomes dat had gereconstrueerd, en daarna opgeslagen op het Pieterskerkplein, dat voor de gelegenheid als bouwplaats was ingericht.

(Tekst gaat door onder de foto)

Robèrt Oomes (r) overlegt met George Maat (l).
© Foto Annette Donker

Toen dat was gebeurd, lagen alle 723 grafkelders in het schip in het zicht. Het waren, zoals technisch tekenaar Leen Nederlof zich herinnert, ’echt nette keldertjes’ van gemiddeld een bij twee meter, en twee meter diep. ,,Ze waren gemaakt van gepleisterde halfsteens muurtjes, en voorzien van soms geglazuurde tegels op de bodem.’’ Die mooie, in feite ongebruikte, plavuizen vielen ook George Maat op. In zijn Pieterskerklezing zegt hij dat hij de aannemer voorstelde om ze uit de kerk te halen en te verkopen. ,,Maar, het zal u merkwaardig in de oren klinken, dat was waarschijnlijk toch duurder dan wat ze op zouden brengen. Want als je zo’n hoeveelheid gloednieuwe plavuizen op de markt brengt, dan stort gewoon de markt in.’’

In de graven lagen natuurlijk lijken, in doorgaans verteerde kisten. Vrijwel altijd, schrijft Maat, werd er op de kist een laag zand gestort, en daarbovenop ’een boel puin en grof zand’. De archeologen en de fysisch antropologen die zo’n graf leeg schepten, moesten die laag er met een ’Hollandse zandschop’ uitscheppen, voordat ze bij het fijnere zand kwamen waarin de kisten lagen. Dan stapten ze over op de ’ballastschop’, volgens Maat ’bijzonder prettig voor opgravingswerk omdat deze gebruikt kan worden om de grond mee af te schaven’. Meestal kwam de begraving dan wel in het zicht.

Niet alleen George Maat en zijn studenten benutten de kans om een kijkje in de graven te nemen. Onder leiding van Hansje Suurmond-van Leeuwen, medewerker van de gemeentelijke directie civiele werken voor archeologisch onderzoek, was ook een Archeologische Begeleidingscommissie actief. Die had vooral belangstelling voor de vroegste bouwgeschiedenis van de kerk. Specifiek hoopten de archeologen sporen terug te vinden van de Grafelijke Kapel uit 1121. Inderdaad vonden ze in het schip een leistenen vloer die ’met redelijke zekerheid’ de fundering van de kapel moet zijn geweest. De leistenen waren ’denkbaar’ afkomstig van het ’Romeinse castellum te Roomburg of van dat te Valkenburg’. In later eeuwen was de kapel gesloopt om plaats te maken voor nieuwe grafkelders.

De onderzoekers hadden pech en geluk tegelijk. De winter van 1979-’80 was bitter koud. Vóór de kerst was het al -5 graden Celsius en in januari 1980 werd zelfs -12 gehaald. Het werk lag stil wegens vorstverlet, en dus hadden studenten en grondwerkers ’onder moeilijke omstandigheden’, met tien graden onder nul, extra tijd om door te spitten. Ook Oomes was, vaak tot diep in de nacht, in de kou druk bezig met het opmeten van grafkelders. De maten vergeleek hij, volgens een systeem dat hij ’dekseltje-doosje’ noemde, met die van de eerder opgemeten zerken, om te controleren of ze op, en dus bij elkaar pasten.

(Tekst gaat door onder de foto)

De kosteres, mevrouw Onderwater, schenkt koffie voor de verkilde studenten.
© Foto Annette Donker

De meeste keldergraven waren niet tot de rand met zand en puin gevuld. Eerder halfvol, op z’n best. Anders lag dat met de knekelputten. Hierin werden doden herbegraven als een nieuwe eigenaar zijn grafkelder ’leeg’ opgeleverd wilde zien. De knekelputten waren tot de rand gevuld met ’luciferhoutjes’, zoals Maat dat noemde: boordevol met ribben, ellepijpen, dijbenen, en ook met schedels. Die knekelputten zijn ook nu nog in de vloer herkenbaar: op deze plaatsen liggen geen zerken, maar tegels.

Toen het werk kon worden hervat, bleek al snel dat fundering op het raamwerk van de grafmuurtjes niet goed mogelijk was. De belangrijkste reden hiervoor was dat de nieuwe vloer, die immers ruim 50 centimeter dik was, veel hoger zou komen te liggen dan de oude. Daarom werd in het voorjaar van 1980 besloten om alle bovenkanten van de muurtjes af te slaan en het puin in de grafkelders te gooien. Grof geweld werd daarbij niet geschuwd; vaak overleefden de muurtjes de behandeling niet en vielen ze helemaal om.

Om het voor de heftruck mogelijk te maken om over de grafkelders te kunnen rijden, stortte Van der Hoeven zand. Heel veel zand. Er ging wel voor 120.000 gulden zand in de kerk, die werd ingewaterd en vastgetrild met een trilplaat. Daarmee ontstond meteen een goede fundering voor de betonvloer. In de bestuursvergaderingen klaagden de bestuurders over de meerkosten die zij moesten maken voor al dat zand en dat de Pieterskerk in een ’zandput’ veranderde. Maar gek genoeg klaagde niemand, ook districtshoofd C.J. Bardet van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg niet, dat bij het maken van die vloer een unieke middeleeuwse constructie achteloos werd vernield.

Omdat de kosten voor het zand zo hoog waren, was iedereen erop gebrand om daar zoveel mogelijk op te bezuinigen. Alles wat de grafkelders kon vullen, was welkom. Dat gold ook voor de knekelhopen die boven de putten uitstaken. Maar voordat Van der Hoeven ze in de vloer kon verwerken, sloeg het bedrijf ze eerst op in een grote groene container die zij speciaal daarvoor op het Pieterskerkplein had neergezet.

(Tekst gaat door onder de illustratie)

In die container werd ’s nachts flink gerommeld.
© Illustratie Eric Coolen

Die container trok de aandacht van veel Leidenaars. Het opslagterrein was wel met hekken afgezet, en boven de container was volgens wettelijk voorschrift een bouwlamp aangebracht, maar die hekken waren gemakkelijk uit elkaar te schuiven en de lamp lichtte souvenirjagers en morgensterren bij die belangstelling hadden voor liefst een schedel of anders een dijbeen.

Voor dit artikel is gesproken met Leidenaars die aan zo’n nachtelijke escapade een schedel hebben overgehouden. Annette Donker, die in die tijd met Robèrt Oomes was getrouwd, bevestigt dat er veel in die container werd geschooid. ,,Mijn eigen kinderen deden het ook. Robèrt en ik waren veel in de kerk en we namen onze kinderen, die toen nog klein waren, vaak mee. Ze kwamen een keer met een dijbeen en een schedel aanzetten. Robèrt en ik hebben toen gezegd: ’Aline, die schedel, die moet terug, want die is van een mens geweest, maar dat dijbeen, dat mag je houden’.’’

Hier is misschien ook wel de oorsprong te vinden van de mythe dat de stoffelijke resten uit de Pieterskerk zijn geruimd. Veel Leidenaars kunnen hebben gedacht dat de container was bedoeld voor vervoer, terwijl het in werkelijkheid ging om opslag.

Zo ging het grootste deel van 1980 heen met het vullen van grafkelders. Daarna ging de firma Van Essen Betonwerken uit Kootwijkerbroek aan de slag om de vloer te maken en legde Wolter & Dros de verwarming aan. Daarna kon Oomes aan Leen Nederlof opdracht geven om, steen voor steen, de zerkenvloer te reconstrueren zoals die vóór 1860 moet zijn geweest. Waar geen zerk beschikbaar was, kwam blauwe Belgische hardsteen.

Terwijl dit alles gaande was, kreeg het bestuur van de Pieterskerk in januari 1980 een brief van de Leidse hoogleraar Geschiedenis van de Geneeskunde Antonie Luyendijk-Elshout (1921-2006). Zij was nauw betrokken bij het beheer van de collectie van het Anatomisch Museum van de universiteit. Ze vroeg zich af wat ze precies aanmoest met de stoffelijke resten die George Maat voor haar instituut had verzameld, als de fysisch antropoloog eenmaal zijn onderzoek zou hebben voltooid. Ook had ze het beheer gekregen over de stoffelijk resten van de beroemde humanist en talenkenner Justus Josephus Scaliger (1540-1609), die Maat op 26 oktober het jaar ervoor had opgegraven in een grafkelder in de Vrouwekerk achter de Haarlemmerstraat.

(Tekst gaat door onder de foto)

Aannemer Woudenberg begint met het stellen van de zerken.
© Foto Annette Donker

Luyendijk vroeg de stichting of zij bereid zou zijn om een crypte in de Pieterskerk in te richten, waarin de resten van de prominenten die Maat had opgegraven, konden worden gedeponeerd. Het skelet van Scaliger kon er ook bij. Dan toch, schreef ze, rusten zij ’op een waardiger plek dan in het betreffende instituut’. Of dat werkelijk zo was, is de vraag. Kennelijk zag ook Luyendijk de Pieterskerk nog als kerk en niet als evenementenhal.

Het bestuur, inmiddels onder voorzitterschap van Cees Goekoop (1933-2011), vond zo’n ’bijzetting’ in wat met gevoel voor assonantie al snel de ’VIP-crypte’ werd gedoopt, in elk geval een goed idee. De crypte kon worden ingericht aan de zijkant van het koor, waar in februari 1980 ook de zerken van zouden worden gelicht.

In de notulen van de stichting over december 1980 en de eerste maanden van 1981 is te lezen over de vorm die de VIP-crypte moest krijgen. Gedacht werd aan een kelder van beton, met een houten vloer, ’beluchting’ en een ’zinkputje met grind’ voor drainage. Hij moest bereikbaar zijn via een luik van 150 bij 150 centimeter. In december had C.J. Bardet voorgesteld dat die VIP-crypte ventilatieroosters of -pijpen zou krijgen. Uiteindelijk kwam er echter helemaal geen betonnen kelder, maar nam de stichting genoegen met een bestaande grafkelder in het koor.

Maat had de taak op zich genomen om te zorgen voor wetenschappelijk verantwoorde kunststof dozen, waarin de stoffelijke resten geplaatst konden worden. Ze maten 75 x 40 x 40 centimeter, met ventilatiegaten in de bodem, want ’bij eventuele lekkages mag de doos niet vollopen’. Hiervoor zou ’de heer Maat kontakt opnemen met het T.N.O-kunststoffeninstituut’. Ergens tegen het einde van 1981 werden de resten van de door Maat opgegraven personen, inclusief Scaliger teruggeplaatst. Uit het archief blijkt niet precies wanneer. In de notulen van 31 oktober 1981 staat: ’de herbegraving is nog niet zover’.

Op 5 mei 1982 kon de Pieterskerk feestelijk worden heropend. Niet iedereen was daar blij mee. In september 1982 besprak het stichtingsbestuur een boze brief van een zekere heer Van der Kooij, die vond dat het ’dansen boven graven’ geen pas gaf. Graven, ja, die waren er nog wel, al waren ze onherstelbaar vernield. En al waren - op de uit de container gestolen schedels na - alle stoffelijke resten nog in de kerk, ze waren wel op grootse wijze door elkaar gehusseld. Het bestuur besloot tot een pinnig antwoord aan de heer Van der Kooij. ,,Sinds 1829 wordt er niet meer in de kerk begraven en de kerk is geen kerk meer.’’

En dat was dat.

Maar niet helemaal.

De Pieterskerk begon aan zijn nieuwe leven. In 1982 kreeg de kerk een manager, J. Jochemus. Eind 1985 werd hij opgevolgd door Theo Couwenberg, die het jaar daarop de jonge theoloog Ton Boon (nu 67) als adjunct kreeg. Van 1989 tot en met 2009 was Boon directeur van de Pieterskerk. Ook de zorg voor de VIP-crypte behoorde tot zijn taken. Hij kwam daar geregeld, want de crypte werd soms opengesteld, bijvoorbeeld tijdens de Open Monumentendagen. ,,Wat ik me herinner van de inhoud van het graf in het koor was niet één doos, maar een bonte verzameling koelboxen, koelkastdozen, kartonnen dozen en plastic zakken, op schappen langs de muur. Ik herinner me dat ik het best schokkend vond toen ik de eerste keer zag hoe dat was uitgestald.’’

Boon liet de resten in 1989 inspecteren door de Leidse hoogleraar Geschiedenis van de Geneeskunde Harm Beukers (1946-2020) en door hoogleraar Bijbelwetenschap Henk-Jan de Jonge (nu 76). Die stelden vast dat ze ’niet in de juiste klimatologische omgeving waren’. De botresten verkruimelden. Om die reden liet Boon ze, ’na toestemming van de Hervormde Gemeente Leiden’, overbrengen naar het Anatomisch Museum, ’dat beloofde er goed op te zullen passen’.

Zo kreeg het museum, dat organisatorisch onderdeel is van het LUMC, in 1990 en in 1991 de door George Maat opgegraven resten van de beroemde Leidenaars terug. Volgens oud-woordvoerder Jochem van Laar heeft het LUMC inderdaad ’een klein aantal botresten’ uit de Pieterskerk in beheer. Van wie die stoffelijke resten zijn, wil het LUMC niet zeggen. ,,Ze worden op verzoek van de stichting Pieterskerk bij ons bewaard om ze veilig te stellen voor verder verval.’’ De stichting is eigenaar, het Anatomisch Museum heeft de collectie in bruikleen. Er gebeurt niets mee. ,,Het LUMC heeft geen wetenschappelijke interesses of belangen hierin.’’

(Tekst gaat door onder de foto)

Het interieur van de Pieterskerk nu.
© Foto Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

Het LUMC weigert, ondanks herhaald aandringen, te laten zien hoe de stoffelijke resten worden bewaard, en hoe de toestand is. Ze liggen verpakt in plastic in een collectiedepot. Het meeste materiaal is in de acht jaar dat het in de VIP-crypte lag, ’vrijwel geheel vergaan’, aldus Van Laar. Dat is niet verbazend. George Maat moest zelf al vaststellen dat de ’kwaliteit van het materiaal bijzonder slecht’ is. In zijn Pieterskerklezing zei hij: ,,Het is zeer papperig en anders bros. De skeletten die in zo’n kerk liggen, zijn eigenlijk afgesloten van de buitenwereld. Daar is geen goede drainage in de grond omdat alle hemelwater door het kerkdak weggevangen en weggeleid wordt, waardoor er onder zo’n kerkvloer een muffe kluit grond is waar alles zeer sterk in vergaat.’’

De VIP-crypte is bij het huidige directie van de Pieterskerk in vergetelheid geraakt. Sinds de overdracht van de stoffelijke resten is er vrijwel niemand meer geweest. Op een verzoek om de crypte te mogen zien, gaat directeur Frieke Hurkmans niet in. ,,Heel eerlijk, die moeten we gaan zoeken’’, is het antwoord op de vraag om een bezichtiging. Al wat ze heeft ontdekt, ’is een luik in de vloer van het koor’.

Tijdens de restauratie van 2002-2010 is de vloerverwarming in het schip vernieuwd. De kunststof buizen van Wolter & Dros zijn vervangen door beter geleidend koper, en de hele installatie is fijnmaziger gemaakt en meer naar boven gehaald. Daardoor gebruikt de nieuwe verwarming minder gas dan de oude, die honderd kuub per uur verstookte, en die er dan nog drie dagen over deed om de kerk op temperatuur te brengen. De allerzwaarste zerken zijn tegen de muur gezet, zodat de nieuwe vloer dunner kon worden dan de oude. Het intensieve puzzelwerk van Robèrt Oomes is grotendeels gerespecteerd. De betonnen ondervloer heeft de stichting Pieterskerk laten egaliseren, maar verder gelaten zoals hij is.

In een reactie zegt Hurkmans dat een restauratie zoals die van 1978-’82, waarbij grote vernielingen werden aangericht, ’nu nooit meer zo zou gebeuren’.

Is daarmee de vraag beantwoord wat er met de stoffelijke resten van tienduizenden Leidenaars in de Pieterskerk is gebeurd? ,,Ha’’, zegt Hurkmans. ,,De Pieterskerk is een niet eindigende bron van verhalen. Wie weet! Het verhaal van de Pieterkerk is nooit af.’’

’In het voorjaar van 1974’, schrijft hij zelf, kwam de jonge Amerikaanse historicus Anthony Grafton (70) voor het eerst naar Leiden. Nadat hij was uitgestapt op het station, liep hij rechtstreeks naar de Universiteitsbibliotheek aan het Rapenburg. Een streng uitziende bibliothecaresse vroeg hem wat hij kwam doen. ,,Ik kom om de manuscripten van Joseph Scaliger te bestuderen.’’

In de jaren die zouden volgen, kwam Grafton vaak vanuit Princeton naar Leiden, want de Universiteitsbibliotheek bevat vrijwel al Scaligers manuscripten, zijn archief en zijn boeken. Zij vormen nu de kern van de Bijzondere Collecties van de UB, en worden bewaard in een instituut dat in 2010 werd opgericht en dat zijn naam draagt: Scaliger Instituut.

Graftons studie leidde tot de tweedelige intellectuele biografie ’Joseph Scaliger, A study in the history of classical scholarship’. Het eerste deel verscheen in 1983 bij de Oxford University Press, het tweede deel tien jaar later. Tijdens de dies van 8 februari 2006 beloonde de Universiteit Leiden hem hiervoor met een eredoctoraat. Ter gelegenheid hiervan sprak de Leidse hoogleraar Europese geschiedenis Nicolette Mout (74) als erepromotor een korte lofrede uit.

Grafton was in Leiden toen anatoom en fysisch antropoloog George Maat op 26 oktober 1979 het graf van Scaliger opende. Dat lag in de resten van de in 1819 afgebroken Vrouwekerk achter de Haarlemmerstraat, waar nu het Kijkhuis is. Het stoffelijk overschot werd overgebracht naar het Anatomisch Museum aan de (toen nog) Wassenaarseweg.

De gedachte kwam bij Grafton op dat hij in Leiden niet alleen kennis kon maken met het werk van Scaliger, maar ook met de man zélf. Op 14 februari 1980 meldde hij zich bij het Anatomisch Museum en kreeg daar de gelegenheid ’om de (in plastic verpakte) botten van zijn rechterhand te schudden’. Het was een handdruk waarmee vier eeuwen werden overbrugd.

Er past een kanttekening bij deze ’handdruk over vier eeuwen’. Scaligers lichaam was zover verteerd, dat van een ’hand’ geen sprake meer was. ,,In werkelijkheid’’, legt inmiddels oud-woordvoerder Jochem van Laar van het LUMC uit, ,,was het een zakje met een minieme hoeveelheid botresten.’’ Een letterlijke handdruk kon niet meer - ’het was figuurlijk bedoeld’.

Kennelijk was zoiets in 1980 mogelijk. ,,Het is een actie die wij vandaag de dag niet zouden doen’’, aldus Van Laar. Zelfs directeur Kasper van Ommen van het Scaliger Instituut, die de resten van de grote humanistische taalkenner graag eens zou zien, heeft nooit toegang tot het Anatomisch Museum gekregen.

Lees hier deel 1: Het ware verrassende, onwaarschijnlijke en schokkende verhaal over de graven in de Pieterskerk

Meer over de tekeningen die Eric Coolen speciaal voor dit artikel maakte: Tekenaar Eric Coolen legt Leiden vast in klare lijn: ’Er is hier zo ontzettend veel wat ik gewoon móét tekenen!’

Meer nieuws uit Leiden

Ombudsman

Ombudsmannen Durk Geertsma & Ed Brouwer springen in de bres voor de consument.