Het ware verrassende, onwaarschijnlijke en schokkende verhaal over de graven in de Pieterskerk

Verslaggever Wilfred Simons neemt u mee in een verhaal over een geheim van de Pieterskerk.
© Illustratie Eric Coolen
Leiden

In Leiden gaat het verhaal dat alle stoffelijke resten die in de loop der eeuwen in de Pieterskerk een laatste rustplaats hebben gevonden, zijn geruimd. Ze zouden tijdens de grote restauratie van 1978-1982 zijn herbegraven op begraafplaats Groenesteeg. Vandaag en morgen publiceert het Leidsch Dagblad een groot onderzoeksartikel in twee delen. Het ware verhaal is veel verrassender, onwaarschijnlijker en schokkender dan een illegale stort in een verzamelgraf achter de keldergraven.

De bekendste verteller van het verhaal is de Leidse biograaf Onno Blom, die voor zijn biografie ’De jonge Rembrandt’ in de kerk op zoek ging naar het graf van Rembrandts ouders. In een artikel dat hij op 4 september vorig jaar in de Volkskrant publiceerde, schrijft Blom dat hij ’hoorde’ dat alle stoffelijke resten ’onder mijn voeten’ zouden zijn herbegraven op Begraafplaats Groenesteeg. Hij besloot ’niet meer uit te zoeken of dat echt waar was’, maar het verhaal te laten voor wat het is. Want ja - dat zou betekenen dat de beenderen van de moeders van de beroemdste Nederlandse schilders, Rembrandt van Rijn en Vincent van Gogh, gezusterlijk verstrengeld liggen in Leidse grond. Samen onder stenen ’die bedekt zijn met pokken van mos’, waar ’hoog gras wuift in de wind’, en waar klaprozen bloeien.

Te mooi om dood te checken.

Maar misschien ook te mooi om waar te zijn.

Begraafplaats Groenesteeg lijkt veel te klein om ruimte te bieden aan de stoffelijke resten van tienduizenden mensen. Is misschien eerder Begraafplaats Rhijnhof de eindbestemming geweest? Directeur Nicoline Zemering, die zelf pas sinds 1 juni 2018 bij Rhijnhof werkt, doet navraag bij ’een van de gepensioneerde grafdelvers’. Ze belt snel terug. ,,Ze zijn niet bij ons herbegraven, maar in de Groenesteeg.’’ Dus toch? ,,Hij was er heel stellig over, en noemde zelfs de plek: achter de keldergraven.” In een e-mailwisseling naderhand komt ze op die eerdere uitspraken terug. „We hebben intern het verhaal over ’eindbestemming Groenesteeg’ nog nagevraagd, maar niet kunnen verifiëren.’’

(Tekst gaat door onder de illustratie)

Begraafplaats Groenesteeg was in 1975 gesloten. Daarna gebeurde er jaren niets. Af en toe klommen kinderen over het hek om tussen de zerken te spelen.
© Illustratie Eric Coolen

Voorzitter Lodewijk Kallenberg van de stichting Begraafplaats Groenesteeg meldt dat het verhaal niet kán kloppen. De begraafplaats was in 1975 vol, en werd om die reden in dat jaar gesloten. ,,De Groenesteeg zat letterlijk op slot. Er speelden wel kinderen die over het hek klommen, en die vernielden daar ook weleens wat, maar verder gebeurde er niets.” Als er toch zou zijn begraven, ’dan moet dat clandestien zijn gebeurd’. Dat lijkt, gezien de omvang van de operatie, toch heel onwaarschijnlijk.

We weten nu wat er níet met de stoffelijke resten is gebeurd. Maar niet, wat er wel is gebeurd. Dat is veel, en het verhaal is veel spannender, ingewikkelder - en voor sommigen schokkender - dan een al dan niet illegaal verzamelgraf in de Begraafplaats Groenesteeg.

Een groot deel van het antwoord is te vinden in het archief van de stichting Pieterskerk Leiden. De stichting heeft de documenten over haar beginjaren overgedragen aan Erfgoed Leiden aan de Boisotkade. Het gaat om de notulen van de vergaderingen van het bestuur van de Pieterskerk en om de notulen van de bouwvergaderingen. Na inventarisatie zijn ze sinds vorig jaar openbaar. Het Leidsch Dagblad bekeek ze als eerste.

Nieuwe toekomst

Op maandag 27 oktober 1975 om 10.30 uur, ’ten stadhuize’, kwam voor het eerst het bestuur van de stichting Pieterskerk bijeen. Voorzitter was burgemeester Aat Vis (1920-2010), en ook in het bestuur zat universiteitsbestuurder Kees Cath (1921-2012). Het doel van de op 18 juni 1974 door Vis opgerichte stichting was om de kerk over te nemen van de hervormde gemeente en het gebouw een nieuwe toekomst te geven als evenementenlocatie. Op die eerste vergadering was ook de Leidse wiskundeleraar en amateurhistoricus Robèrt Oomes (1926-2010) aanwezig, die te kennen gaf dat hij graag ’een inventarisatie wilde maken van de grafstenen in de kerk’. Over hem later meer.

Het preektheater dat de Pieterskerk liet installeren om de befaamde predikant Eliza Laurillard te behouden voor Leiden.
© Archieffoto Rijksdienst voor het Culturele Erfgoed

De hervormde gemeente wilde van de kerk af. Ze had te kampen met ontkerkelijking en teruglopend kerkbezoek en was daarom al in 1971 gestopt met het houden van diensten. Een poging om de kerk over te dragen aan het rijk was mislukt. Het gebouw was er slecht aan toe. Schattingen van restauratie liepen uiteen van 2 tot 4,5 miljoen gulden. Er gingen zelfs stemmen op om de kerk maar te slopen. De stichting Pieterskerk en de tegelijkertijd opgerichte fondsenwervingsorganisatie Steunstichting Vrienden van de Pieterskerk moesten dat rampscenario voorkomen.

Restauratieplannen

Al voor de overdracht van de kerk op 25 juni 1976 begon de stichting met het maken van plannen voor de restauratie. Daarvoor nam ze het bureau van de bekende Leiderdorpse architect Piet van der Sterre (1915-1978) in de arm, die in de jaren daarvoor veel ervaring had opgedaan met de restauratie van de Hooglandse kerk.

(Tekst gaat door onder de foto)

Jan Raas won de proloog van de Tour de France in Leiden in 1978, maar de uitslag werd ongeldig verklaard. Kon de Pieterskerk wel als locatie voor een wielerwedstrijd dienen?
© Archieffoto Anefo

Het idee van een kerk als ’evenementenlocatie’, dat was in de jaren ’70 iets heel nieuws. Weinig Leidenaars konden zich daar veel bij voorstellen. Voor zover ze dat wel konden, stuitte het idee van modeshows, ’beatbands’, de Leidato, ’dansen op graven’ tijdens bedrijfsfeesten en zelfs de start van de Tour de France in 1978 gelovige Leidenaars tegen de borst. Ze konden moeilijk afscheid nemen van de Pieterskerk als kerk, en vonden dat een functie als evenementenhal het gebouw ontheiligde. Vis en Cath moesten studentenpastor en dominee Jan Eekhof (1928-2007), die ook in het stichtingsbestuur zat, in februari 1976 dan ook verzekeren dat de universiteit ’de eerste klant zal zijn en ook wel de belangrijkste’.

Instabiel

Na de overname ging de aandacht van de stichting vooral uit naar cascoherstel en naar het waterdicht maken van de vervallen kerk. Er moesten nieuwe leien op het dak en het glas-in-lood in de ramen moest worden vervangen. Maar het was al snel duidelijk dat er ook iets aan de vloer moest gebeuren. Door het voortdurend openen en dichtmaken van de graven, waarbij de grafzerken steeds opnieuw gesteld werden, was de vloer in het schip van de kerk in de loop der eeuwen erg ongelijk geworden. Sommige stenen lagen wel tien centimeter hoger dan andere.

De zerkenvloer was bovendien instabiel, wat glaszettersfirma Jilleba ontdekte toen zij in januari 1978 met een heftruck, beladen met glazen ruitjes voor de ramen, dwars door een zerk heen zakte. Het herstel kostte Jilleba 1555,24 gulden; gelukkig was het bedrijf verzekerd.

(Tekst gaat door onder de illustratie)

Glaszettersfirma Jilleba zakte in januari 1978 met een heftruck, beladen met glazen ruitjes voor de ramen, dwars door een zerk heen.
© Illustratie Eric Coolen

Het gebouw moest ook verwarmd kunnen worden. Daarvoor hadden de stichting en architect Van der Sterre vloerverwarming voor ogen. Het Amersfoortse installatiebedrijf Wolter & Dros kon een systeem leveren, dat bestond uit een fijnmazig buizennetwerk en radiatoren in convectorputten ter hoogte van de ramen. Een vergelijkbaar systeem had Van der Sterre eerder laten aanleggen in de Hooglandse kerk. Toen PPR-minister Harry van Doorn (1915-1992) van CRM in februari 1977 aan Van der Sterre ’toezegde’ dat hij de verwarming zou betalen, bedacht de stichting zich geen twee keer.

Lastige puzzel

Dat alles betekende dat de vloer van de Pieterskerk open moest en dat alle zerken van hun plek moesten. Maar, zo zei Van der Sterre tijdens een bouwvergadering op 5 januari 1978, hij verwachtte in de Pieterskerk wel technische moeilijkheden. Hij wees vooral op het ’aantal grote zerken’ dat ’talrijker is dan in de Hooglandse kerk’. Hoe moesten die zerken uit de kerk worden getild? Dat was inderdaad een lastige puzzel, maar de grootste moeilijkheden kwamen uit een heel andere hoek dan Van der Sterre had gedacht. C.J. Bardet, districtshoofd Zuidwest van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, die trouw de bouwvergaderingen bezocht, lag dwars.

(Tekst gaat door onder de foto)

De kerk was in 1978 in een vervallen toestand. Onder meer het dak was door en door lek, waardoor regenwater doordrong tot in de gewelven.
© Archieffoto Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

Het schip van de Pieterskerk moest een open, vlakke ruimte zijn, zonder obstakels. Anders, oordeelde de stichting, was multifunctioneel gebruik niet mogelijk. De universiteit, die de hoofdgebruiker zou zijn, eiste dat ook. Maar er was wél een obstakel. Rondom de preekstoel stond een zogeheten preektheater, meestal aangeduid als ’het bankenblok’. Het kerkbestuur had het in 1860 voor maar liefst 16.444 gulden laten bouwen om tegemoet te komen aan de klachten van de populaire jonge dominee Eliza Laurillard (1830-1908), die in 1857 naar Leiden was beroepen. Hij had geklaagd over de slechte akoestiek in de kerk. Een intiem houten amfitheater rondom de preekstoel kon daar iets aan doen. Hoewel kosten noch moeite werden gespaard, hielp het niet om Laurillard voor Leiden te behouden. In 1862 vertrok hij alsnog naar Amsterdam.

Staketsel

Het preektheater bestond uit neogotische vuren- en eikenhouten banken op een houten vloer. Het kerkbestuur had alle graven die daaronder lagen, laten verwijderen en de stoffelijke resten geruimd - waar die terecht zijn gekomen, is onbekend. Onder het preektheater was een grote, diepe ’kuip’ ontstaan. Daarin had meestertimmerman Pieter van der Kamp (1829-1877) een houten staketsel gemaakt, als fundering voor de houten vloer en de banken. In de kuip had het kerkbestuur de verwijderde zerken laten terugleggen, daarnaast bouwpuin en ook andere oude grafstenen, die niet meer op hun oorspronkelijke plaats in de kerk lagen.

(Tekst gaat door onder de foto)

Hoewel hoogleraar Jan Terwen het preektheater maar niets vond, wilde de stichting Pieterkerk er toch iets van behouden. De Herenbank staat nu in het koor.
© Archieffoto Rijksdienst voor het Culturele Erfgoed

Voor de stichting was het ’een uitgemaakte zaak’ dat het bankenblok weg moest. De Rijksdienst voor de Monumentenzorg vond daarentegen dat het preektheater van groot cultuurhistorisch belang was, en wilde dat juist niet. Er zat voor de stichting maar één ding op: ze moest de waarde van het kerkmeubilair bagatelliseren.

Voor dat soort klusjes hadden stichtingbestuurders Aat Vis en Kees Cath de Leidse hoogleraar architectuurgeschiedenis Jan Terwen (1916-1998) achter de hand. Hij stelde niet teleur. Nog in 1978 kwam hij met het rapport ’De zitplaatsen van de Pieterskerk te Leiden’. Daarin stelde Terwen dat het bankenblok maar een ’willekeurige en onbegrepen toepassing’ van de neogotiek was. Erger nog, de banken waren ’toch eigenlijk wel een provinciaals product van late stucadoorsgotiek’, wat kennelijk heel erg was, en verderop, nog erger: ’Deze vrijwel continue schutting trekt zich niets aan van het ritme van steunpunten en bogen en slingert zich als een soort statige autobaan door de statige rijen zuilen’.

Herenbank

Districtshoofd Bardet van de Rijksdienst gaf zich gewonnen. De banken mochten weg, de vloer mocht open. Op 17 januari 1979 liet een tevreden stichtingsbestuur in de notulen optekenen dat het ’bijzonder ingenomen’ was met het resultaat. De offerte voor een centrale verwarming van Wolter & Dros werd ’spoedig verwacht’. Alleen de herenbank bleef in de kerk. Hij werd in het koor gezet, waar hij nog altijd te zien is.

Nu gingen er twee zaken tegelijkertijd lopen.

Het architectenbureau van Van der Sterre-Peetoom begon met het opmeten en in kaart brengen van de 723 zerken in het schip. Hiervoor had het bureau een jonge technisch tekenaar in dienst, Leiderdorper Leen Nederlof (nu 69). Hij had ervaring met dit werk, dat hij had opgedaan in de Hooglandse kerk.

Opdracht

Al snel stuitte Nederlof op de Leidse wiskundeleraar en amateurhistoricus Robèrt Oomes. Die was vaak in de kerk, omdat hij zichzelf de opdracht had gegeven om de zerkenvloer zo precies mogelijk te reconstrueren. Hij vond namelijk, zoals hij schreef in het Jaarverslag 1979 van de Archeologische Begeleidingscommissie in Leiden, ’dat een volk de begraafplaatsen van zijn voorgeslacht in ere moet houden’. Daarvoor probeerde hij informatie over de graven, die te vinden is in acht grafboeken en de twee registers van de Pieterskerk die bij Erfgoed Leiden worden bewaard, te koppelen aan de zerken die hij in de kerk aantrof.

Verslaggever Wilfred Simons neemt u mee in een verhaal over een geheim van de Pieterskerk.
© Illustratie Eric Coolen

Zijn aanwezigheid had gemakkelijk tot een conflict kunnen leiden. Oomes had weliswaar toestemming om in de kerk te zijn, maar hij had geen enkele status. Hij was daar puur als vrijwilliger. Maar Nederlof wist dat als alle zerken uit de kerk getild zouden zijn, ze na de aanleg van de vloerverwarming toch ook weer op de één of andere manier moesten worden teruggelegd. Oomes had expertise, en hij had een plan. Hij kende het systeem van begraven, hij had kennis van de grafboeken, en door eindeloos gepuzzel waarbij wiskundige intuïtie goed van pas komt, wist hij als enige welke zerk bij welke grafkelder hoorde. Die kennis kwam goed van pas.

(Tekst gaat door onder de foto)

Nadat de Pieterskerk voor begravingen was gesloten, bouwden de Leidenaars op de begraafplaats Groenesteeg identieke grafkelders. Daar zouden de beenderen zijn herbegraven.
© Archieffoto Leidsch Dagblad

Ingespeeld

Ze besloten de taken te verdelen. Hoewel het nooit zo uitgesproken is gezegd, kreeg Oomes door zijn samenwerking met Nederlof, een belangrijke rol toebedeeld in de restauratie van de Pieterskerk. Nederlof tekende de bestaande situatie, Oomes maakte een bestek voor de nieuwe. Ze raakten ze op elkaar ingespeeld. ,,We hebben elkaar goed geholpen’’, herinnert Nederlof zich. Uiteindelijk slaagde Oomes erin om 90 procent van de zerken in de Pieterskerk, met inbegrip van ’verdwenen stenen’ die in 1860 in de ’kuip’ van het bankenblok terecht waren gekomen, hun oorspronkelijke plek terug te geven.

En zo hadden Nederlof en Oomes een goed plan bedacht om een nieuwe zerkenvloer te maken op de oude plek. Maar voordat het zover was, meldden zich nóg meer belangstellenden. In de vloer zelf waren ze niet zo geïnteresseerd, maar wel voor wat er onder zat.

Lees ook het vervolg: De Pieterskerk werd een zandput met luciferhoutjes; unieke middeleeuwse constructie werd achteloos vernield

Meer over de tekeningen die Eric Coolen speciaal voor dit artikel maakte:

Lees ook: Tekenaar Eric Coolen legt Leiden vast in klare lijn: ’Er is hier zo ontzettend veel wat ik gewoon móét tekenen!’

Robèrt Oomes

Wie over de zerkenvloer van de Pieterskerk loopt, kan zomaar denken dat hij er altijd zo bij heeft gelegen. Toch is dat niet zo. De vloer zoals hij nu is, is het levenswerk van de Leidse leraar wiskunde en gedreven amateurhistoricus Robèrt Oomes (1926-2010).

Oomes, geboren in Maastricht, was een eigenaardige, ietwat excentrieke man. Voorzichtig oppert zijn ex-vrouw Annette Donker dat hij een stoornis had in het autistische spectrum, die hem een moeilijke, onbegrepen jeugd moet hebben opgeleverd. ,,Hij sprak daar niet graag over.’’ In de periode van de restauratie van de Pieterskerk woonden zij, samen met hun kinderen, aan de Van den Brandelerkade. Oomes was in die jaren leraar wiskunde aan het toenmalige roomskatholieke Agnes College aan de Eymerspoelstraat in Leiden.

(Tekst gaat door onder de foto)

Technisch tekenaar Leen Nederlof (links, met baard) en Robèrt Oomes samen tijdens een inspectierondje in de Pieterskerk.
© Archieffoto Annette Donker

Na werktijd bezocht Oomes steevast het archief van de gemeente Leiden aan Boisotkade te vinden. Hij had belangstelling voor de geschiedenis van de Pieterskerk, maar hij was in 1973 ook één van de oprichters van de Stichting Diogenes. Veel later, in 1988, stond hij ook aan de basis van de Vereniging Jan van Hout. Volgens Donkers was haar ex-man een stille, verlegen man die niet veel aandacht voor zichzelf vroeg. Hoewel het huwelijk geen stand hield, bleef ze altijd goed contact houden. In zijn laatste levensjaren, toen hij al aan kanker leed, vroeg zij voor hem de Gouden Speld voor Externe Relaties aan, die hem op dinsdag 3 juni 2008 in de Lakenhal werd opgespeld door VVD-raadslid Greetje van Gruting.

In de periode dat de graven open lagen, daalde hij er ook zelf weleens in af om te controleren, voor zover mogelijk, of hij het overschot van de persoon die daar volgens de archiefstukken in moest liggen, daadwerkelijk kon identificeren. Dat moest noodgedwongen in de avond en in de nacht, want overdag gaf hij les. ,,’s Morgens vroeg was het dan weleens moeilijk om hem wakker te krijgen’’, herinnert Donker zich. ,,Ik maakte koffie en sneed een belegde boterham in dobbelsteentjes, ging naast hem op bed liggen en tilde hem half op. Dan goot ik kleine slokjes koffie tussen zijn lippen en voerde hem een stukje brood. Dan werd hij weer helemaal wakker en ging hij zich aankleden, terwijl ik de motor startte om hem naar school te rijden. Hoe zijn lessen eruit zagen, oef... daar had ik een hard hoofd in.’’

Op grafnummers 60 en 71, pal naast elkaar, kon Rembrandt van Rijn de graven van zijn ouders vinden, Harmen van Rijn (1567-1630) en Neeltje van Zuydtbrouck (1569-1640).
© Illustratie Eric Coolen

Meer nieuws uit Leiden

Ombudsman

Ombudsmannen Durk Geertsma & Ed Brouwer springen in de bres voor de consument.