Opgewekt de sterren tegemoet

Jaap Visser

As de sterre dao baove Straole’, klonk het opgewekt toen de deuren van de aula op Rhijnhof openzwaaiden en wij ons bij de overledene mochten voegen. Ik had niet anders verwacht. Als Jacques Kerstjens zijn Limburgse lijflied inzette, zong ik uit volle borst mee, bij ‘m thuis, in zijn atelier, in ons stamcafé De Bijlen en op ’t water, wanneer we in zijn parmantige sloepje door de Leidse grachten en singels tuften. ‘As de sterre dao baove Straole, en as de maon de baove Haerunge hingk.’

Jacques, de Limburgse levenskunstenaar die wortel had geschoten aan de Leidse Pietersgracht, liet de sterren niet zelden stralen terwijl de ochtend alweer gloorde. Dikke lol had ik met de man met de zachtste g van Zuid-Holland. Totdat ik woorden kreeg met mijn broeder in het jolijt. Toen was het toch even uit met de pret. Zoiets kon gebeuren met ‘De Kerst’, want behalve leuk, lief en gemoedelijk, was hij ook onvoorstelbaar eigengereid.

Toen Jacques’ schat van een dochter Michelle mij berichtte dat haar zieke vader met mij wilde praten, vroeg ze of ik meteen mijn precieze adres wilde mailen. Ik wist onmiddellijk hoe laat het was en spoedde mij naar de Pieterskerkgracht. Ik trof het, want Jacques had een uitstekende dag. Alleen het zuurstofslangetje in zijn neus verried dat hij er feitelijk beroerd aan toe was.

Een werkzaam leven als hooglijk gewaarde maatschoenenmaker en specialist in orthopedische aanpassingen had zijn longen verruïneerd. Jacques was dag en nacht in zijn atelier in de weer, altijd rokend, altijd in het stof van zijn slijpmachines en altijd in de dampen van zijn lijmbrouwseltjes. Goed beschouwd was het nog best een wonder dat hij pas na zijn zeventigste aan het sukkelen was geslagen.

Hij was opgegeven, maar had het leven zelf nog niet opgegeven. Op weg naar zijn einde wilde hij honderduit praten, ook met mij en al snel boomden we weer net als vroeger, van de hak op de tak springend, bloedserieuze zaken aansnijdend, schertsend en ons beklagend over het onrecht dicht in de buurt en heel in de verte.

Plots keek Jacques naar mijn tot op de draad versleten enkellaarsjes, kekke punters waar ik onmogelijk afscheid van kan nemen. De uitgetelde vakman liet een fraai, ooit door hemzelf geschapen paar zilvergrijze schoenen aanrukken: ‘Pas eens’, zei Jacques, maar ik wist mijn voeten met geen mogelijkheid in zijn fraaie, messcherpe creatie te wurmen. Doodzonde, want ik was maar al te graag met deze ‘Kerstjens’ de straat opgegaan.

We namen afscheid. Ik dacht voor even, maar Jacques wist beter. Toen ik hem terugzag, lag hij opgebaard, prachtig gesoigneerd tot in de puntjes van zijn snor. Met aan zijn voeten, de tranen sprongen me in de ogen, die grijze punters. En dat was maar goed ook, want stel dat je daar boven, waar de sterren stralen, op stap kunt. Dan komen zulke bordeelsluipers geweldig van pas.

Reageren: jaap@kickuitgevers.nl

Meer nieuws uit Leiden

Net Binnen

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.