Levend fossiel bloeit in Hortus botanicus

Levend fossiel bloeit in Hortus botanicus
De grootste wollemi-den in de Hortus botanicus is 12 meter hoog, en daarmee de grootste in Europa. De boom vormt zowel mannelijke als vrouwelijke kegels, aldus hoofd kassen Rogier van Vugt.
© Foto Leidsch Dagblad
Leiden

Ze worden gerekend tot de kroonjuwelen van de Leidse Hortus botanicus, ook al zijn ze op het eerste gezicht niet opvallend. Hun komst naar Leiden, in juni 2006, was nationaal nieuws, maar al snel zonk de belangstelling weg en stonden de twee wollemi-dennen onopgemerkt te groeien in een hoekje van de Wintertuin. Totdat afgelopen najaar hoofd kassen Rogier van Vugt iets vreemds opmerkte - ze begonnen te bloeien!

Alhoewel, bloei - als ’naaktzadigen’ maken naaldbomen geen bloemen. Van Vugt zag in beide bomen mannelijke, hangende kegels ontstaan (’als katjes’).

,,Daarna kwam de winter. Dan zetten we alle bomen die niet winterhard zijn, in de Wintertuin zo dicht mogelijk tegen elkaar. Ze stonden zo ingebouwd, dat ik ze niet verder kon bestuderen.’’

Pas nadat de Wintertuin was leeggemaakt, zag Van Vugt de geopende hangende kegels, die wolken stuifmeel loslaten als hij er voorzichtig tegen tikt.

Eén boom, de grootste van de twee, had in de wintermaanden ook een paar vrouwelijke kegels gemaakt, die nu intens groen-blozend, stekelig en ontvankelijk staan te pronken aan het uiteinde van een paar takken.

De wollemi-den (Wollemia nobilis) is een van de zeldzaamste bomen ter wereld. In het wild groeien er hooguit honderd, in twee nauwe ravijnen in de Australische Blue Mountains.

De Australische boswachter David Noble ontdekte ze in 1994 tijdens een trektocht in Natuurpark Wollemi, waarnaar de den is genoemd.

Zulke rare naaldbomen hadden de boswachters en biologen van de Australische National Park and Wildlife Service nog nooit gezien. Maar paleobotanici kenden de boom wel, als fossiel: afdrukken van de wollemi-den zijn gevonden in gesteenten van 80 miljoen jaar oud.

Vermoedelijk was de den 200 miljoen jaar geleden wijd verspreid in Gondwanaland, het ’oercontinent’ dat Zuid-Amerika, Afrika, India, Antarctica en Australië omvatte en dat 95 miljoen jaar geleden uiteen viel.

Schimmel

Na de ontdekking in 1994 is het de dennen in het wild niet goed vergaan. Sinds 2005 worden ze aangetast door de schimmel Phytophthora cinnamomi, die bezoekers aan hun schoenzolen hebben meegenomen. Aangetaste bomen verwelken en gaan dood, waardoor ze in het wild alsnog dreigen uit te sterven.

,,Gek genoeg’’, zegt Van Vugt, ,,hebben dennen in Europa géén last van die schimmel.’’ Dat komt omdat hier dan weer andere schimmels voorkomen, die leven van P. cinnamomi. ,,Dat houdt de besmetting onder controle.’’

Levend fossiel bloeit in Hortus botanicus
Gerda van Uffelen in juni 2006, met een toentertijd piepjonge wollemi-den.
© Foto Hielco Kuipers

Om te voorkomen dat de zeldzame naaldboom uitsterft, richtte de vereniging van Australische botanische tuinen al in 1999 het commerciële bedrijf Wollemi Pine International op. Dat kweekt de bomen op uit stekjes en zaad, waarna ze over de hele wereld worden verkocht.

Ook in Nederland, weet Van Vugt, is de wollemi-den ’bij exclusieve tuincentra’ verkrijgbaar. Wie een exemplaar koopt, krijgt er precies zo één als de Hortus heeft, ’want de wollemi-den kent zo goed als geen genetische variatie’.

Toch raadt Van Vugt de aankoop niet aan. De boom is niet winterhard. ,,Eens in de vier, vijf jaar hebben we hier ’s winters toch stevige nachtvorsten. Daar kan hij echt niet tegen.’’

In Europa, meent Van Vugt, kan de den het alleen goed doen in streken die onder invloed staan van de Atlantische Oceaan, zoals Bretagne, Galicië in Noordwest-Spanje of het Portugese eiland Madeira.

,,De boom verlangt een vochtig klimaat, met weinig wind en een constante temperatuur.’’ Dan kan hij wel veertig meter hoog worden. Zuid-Engeland lijkt een grensgeval. ,,In de botanische tuin van Kew, nabij Londen, staat er een bosje op een eiland. Ze overleven daar wel, maar ze groeien niet.’’

Bevruchten

Sinds de vrouwelijke kegels zijn gevormd, staat Van Vugt elke ochtend op een ladder om ze te bevruchten. Daarvoor gebruikt hij het stuifmeel van de boom die alleen mannelijke kegels heeft gemaakt. Of het effect heeft, weet hij niet.

,,Eerlijk gezegd heb ik geen flauw idee wat ik doe. Ik kan al niet eens zien of de kegel nog opengaat of dat dat moment al is geweest. Het is onbetreden gebied, dit is nooit eerder gedaan.’’

Hopelijk groeit uit de vrouwelijke kegel een denappel, waaruit Van Vugt uiteindelijk zaden kan winnen. Als er geen zaden komen, is het ook goed. ,,Ik weet namelijk niet wat ik met de zaden aan moet. We mogen ze niet weggeven. Als ik ze laat kiemen, heb ik straks misschien tientallen dennen waarvan ik ook niet weet wat ik ermee moet.’’

Als de kegels voortijdig sterven, wat ook kan, laat Van Vugt ze drogen voor het herbarium van Naturalis Biodiversity Center.

Op het zuidelijk halfrond leven nog twee andere boomsoorten, die levende fossielen zijn: de Araucaria- en de Agathissoorten. Eén Arauracia, de apentreiter (Araucario araucana), is in veel Nederlandse tuinen te vinden.

Op het Noordereiland van Nieuw-Zeeland groeit de kauri (Agathis australis), een den die gigantisch groot kan worden, maar die al bijna even bedreigd is als de wollemi-den. De drie soorten zijn, als coniferen, losjes aan elkaar verwant.

’Plant & eter’ zet voedsel centraal

De wereldbevolking groeit en dus moet de voedselproductie dat ook doen. Om daarvoor te zorgen, stelt de Europese Unie tussen 2014 en 2020 jaarlijks 11 miljard euro onderzoeksgeld beschikbaar in het project Horizon 2020.

Eén project daaruit heet ’Big Picnic’, en is bedoeld om de Europeanen ervan bewust te maken dat zij voor hun voedsel afhankelijk zijn van een klein aantal voedselgewassen.

De Hortus botanicus kreeg twee jaar geleden 164.000 euro uit het Horizon 2020-budget om de Nederlanders van het belang van veilig, divers voedsel te doordringen. Met dit geld maakten vier studenten wetenschapscommunicatie van de Universiteit Leiden de tentoonstelling ’Plant & eter’.

Van vrijdag 20 april tot en met zondag 7 oktober kunnen bezoekers in de tuin tien voedselingrediënten bekijken waarmee wij vertrouwd zijn, zoals sinaasappel, cacao, wortel, aardappel, maïs, rijst en kaneel. Ingrediënten die wij niet gebruiken, maar die in andere culturen dagelijkse kost zijn, komen ook voorbij: Chinees bieslook, struisvaren en de ’toringo crab apple’, bij ons bekend als Sieboldappeltje.

In het kader van Big Picnic maakte culinair journalist Onno Kleyn vorig jaar een kookboekje met ingrediënten die in de Hortus te vinden zijn. Dat project kreeg een vervolg met nog eens acht soepgerechten.

Daarnaast schreef biofarmaceutisch onderzoeker Evelien Rozema bij de expositie het boekje: ’Plant & eter, van vezels tot vanille’.Hierin legt ze uit welke voedingsstoffen er in ons eten zitten en er staan ook 21 recepten in.

Meer nieuws uit Leiden