Wonen in een stukje Katwijks visserijverleden

Dick van der Plas
Katwijk

Als het slecht gaat met de visserij, deelt de Visserijschool in de malaise. Dat is altijd zo geweest. Maar ook het imago van de bedrijfstak heeft het onderwijs vaak in de weg gezeten. In 1980 verwoordde de toenmalige directeur Cornelis van Beelen het tegenover een verslaggever van deze krant als volgt: ,,Mijn vader zei: ’Ik breek je liever de poten, dan dat je naar de visserij gaat.’ Terwijl hij nota bene een eigen schip had. Die mentaliteit heerst hier in Katwijk.’’

De kustplaats heeft altijd geworsteld met zijn band met de visserij. Aan de ene kant was zij een goede bron van inkomsten, aan de andere kant een poel van groot verdriet. Veel Katwijkers verloren geliefden op zee, het monument op de Boulevard getuigt daarvan.

Die worsteling is er nog steeds: het voormalige vissersdorp is inmiddels een middelgrote gemeente van 63.000 inwoners, die zich voor de toekomst liever richt op bio science dan op de traditionele sectoren van de economie. Maar evenementen die gerelateerd zijn aan de visserij mogen zich nog steeds in een grote populariteit verheugen. En, beter laat dan ooit, erfenissen uit het visserijverleden worden nu ook bewaard. Aan het Prins Hendrikkanaal wordt één van de laatste redersgebouwen gerenoveerd om dienst te doen als onderkomen voor zorgorganisatie DSV. En ook de Visserijschool kreeg de status van gemeentelijk monument om te voorkomen dat het pand zou worden gesloopt.

STC

De vissers in wording zijn al een aantal jaren uit de Visserijschool verdwenen, maar de kustplaats beschikt nog wel degelijk over een opleiding voor de zeevisvaart. In het gebouw van de voormalige gemeentewerf aan de Zuidstraat is sinds enkele jaren het Scheepvaart en Transportcollege (STC) ondergebracht. Het is een kleinschalige locatie van de grote opleiding die in Rotterdam is gevestigd. De leerlingen die afgelopen zaterdag uitleg gaven op een van de open dagen zien voor zichzelf vooral een toekomst weggelegd in de koopvaardij of de offshore. Maar er is een kleine groep die nog steeds de module zeevisvaart volgt, soms in combinatie met de koopvaardij. Katwijkse vissers zijn nog steeds gewild op schepen van de Nederlandse vloot. En het eigen dorp kent met Parlevliet & Van der Plas nog de grootste trawlerrederij van ons land.

Bomschippers

Lange tijd werd de Visserijschool gezien als het plaatselijke ’afvoerputje’ voor jongeren die niet wilden deugen voor andere vormen van onderwijs. Oud-directeur Van Beelen zei erover: ,,De algemene opinie in Katwijk is: als je nergens meer naar toe kan, is er altijd nog de Visserijschool. Dat is een misvatting die alleen in Katwijk bestaat. In andere plaatsen waar scholen voor de zeevisvaart zijn, heeft men daar geen last van.’’

Hij kon zich er kwaad over maken. ,,Het is onvoorstelbaar dat iemand kan neerkijken op een jongen die naar zee gaat. Als je op de brug van een moderne hektrawler rondkijkt, valt je mond open van de enorme hoeveelheid elektronische apparatuur die daar staat opgesteld.’’

Aan de wieg van het Katwijkse visserijonderwijs stond K. Boorsma, in 1861 hoofd van de openbare school. Hij gaf in zijn vrije tijd wiskunde en zeevaartkunde aan jonge Katwijkse stuurlieden op de koopvaardij. Daarvoor gebeurde dat door onder anderen oud-kapiteins van de zeilvaart, die de theoretische kennis van bomschippers bijspijkerden.

Rond 1900 kwamen overal in het land vakscholen, die met rijkssubsidie konden gaan werken. Ook Katwijk kreeg een gereglementeerde Visserijschool, tegelijk met een soort vooropleiding waar jongens overdag leerden om netten te breiden en te boeten.

Motordrijver

De modernisering van de vloot had ook gevolgen voor het onderwijs. In de jaren twintig kwam er een cursus voor motordrijvers (machinisten) en weer later één voor het certificaat van radiotelefonist. Toen in 1933 in het zogenaamde schepenbesluit werd geregeld dat zeelieden die zelfstandig wacht draaiden ook kennis moesten hebben van de internationale uitwijkbepalingen, gaf de Katwijkse Visserijschool gelegenheid om ook dit bewijs te halen.

Het wettelijk verplicht stellen van alle diploma’s had in 1947 tot gevolg dat vele oudere leerlingen in de schoolbanken terecht kwamen, vooral om de uitwijkbepalingen en het kaartpassen te bestuderen. De oudste leerling die afstudeerde was de schipper van de KW 144, de 63-jarige A. Nijgh.

Na wat omzwervingen door het dorp waarbij de Visserijschool onder meer was ondergebracht in de voormalige Franse school aan de Sluisweg, verhuisde de onderwijsinstelling in 1926 naar de Burgersdijkstraat. De bekrompen en gebrekkige huisvesting hier gaven na de Tweede Wereldoorlog de aanzet voor de nieuwbouwplannen, op een terrein langs het toenmalige Wantveld. Dit had als voordeel dat direct buiten het gebouw de toekomstige zeelieden konden worden geoefend in de roeikunst.

Boekje

De meeste vissers kwamen vooral in de wintermaanden naar school, als de vleetloggers voor behouden teelt in het Prins Hendrikkanaal lagen. Eén van hen was Arie Kraaijenoord. ,,In de winter ging je naar school, om te leren voor stuurman, schipper en de verre visserij.’’ Van open dagen zoals het huidige Scheepvaart en Transport College die afgelopen zaterdag hield, was geen sprake. Oud-visser Kraaijenoord: ,,De toenmalige directeur Varkevisser kwam persoonlijk bij je ouders aan de deur, op de fiets, hoed op, lange jas aan. ’Denk erom’, zei hij dan tegen je vader of moeder, ’hij moet weer naar school. De wet van uitwijken leren’. Hij hield het allemaal bij in een boekje, wie er aan de beurt was. Maar de motivatie om uiteindelijk ook voor stuurman en schipper te gaan, moest uit jezelf komen.’’

Voor dit verhaal is gebruik gemaakt van de boeken over de plaatselijke visserijgeschiedenis ’Katwijk, 60 km van zee’ en ’Katwijk, steeds verder van huis’, verkrijgbaar in het Katwijks Museum.

Meer nieuws uit Duin- en Bollenstreek

Net Binnen

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.