’Een ernstige en elitaire club’

De leden van Non Sordent in 1925 met hun aanhang.

De leden van Non Sordent in 1925 met hun aanhang.© uit collectie oud-leden Non Sordent

Diederik de Groot
Leiden

Een illuster Leids studentengezelschap van Zeeuwse origine viert dit jaar een bijzonder lustrum. Non Sordent in Undis, een genootschap dat sinds 1852 onderdeel is van studentenvereniging Minerva, bestaat maar liefst 200 jaar.

Voor de lustrumcommissie van Non Sordent aanleiding om schrijver Hein 8Meijers te vragen de geschiedenis van het genootschap in een lustrumboek te beschrijven.

Het was nog een flinke klus voor Meijers om de rijke historie van Non Sordent in kaart te brengen. ,,Toen ik begon dacht ik dat het waar was wat ze me hadden verteld, namelijk dat ze een archief hadden’’, zegt hij lachend. ,,Maar het bleek dat er alleen twee kisten waren, waarvan er één een archiefkast met prullaria was. Toen werd het een prestigeslag, want ik wilde het verhaal wel maken.’’

Uiteindelijk is het Meijers dus gelukt, onder meer dankzij de archieven van Minerva, de Koninklijke Bibliotheek en Leiden. Het resultaat is een boek van ruim zeventig pagina’s lang, getiteld: ’Non Sordent in Undis: Hoe een illuster Zeeuws studentengezelschap 200 jaar standhield in Leiden’. Het genootschap komt voort uit de Latijnse School in Middelburg. In 1813 richtten drie scholieren daar een club op genaamd Fide, Amicitia et Virtute, waar ernstige discussies in het Latijn werden gevoerd.

Toen deze drie in 1815 voor hun studie naar Leiden kwamen startten ze daar een vestiging van dit genootschap. In 1820 ging dit Non Sordent heten. Het lidmaatschap was voorbehouden aan deftige Zeeuwse mannen die aan de Latijnse School in Middelburg hadden gestudeerd. Aanvankelijk wilde men niets weten van aansluiting bij Minerva, dat toen het Leidsch Studenten Corps heette. Meijers: ,,Het was een heel elitair clubje. Om de veertien dagen zaten ze bij iemand thuis in het Latijn te discussieren. Het Corps vonden ze maar plat.’’

De orde binnen het genootschap van slechts twaalf leden werd gehandhaafd door middel van 133 ’wetten’. Meer dan de helft van die wetten ging over geld. Er kon bijvoorbeeld een sanctie volgen als iemand ’pertubatie’, oftewel rumoer, veroorzaakte’. Bij overtreding van een wet moest een geldbedrag in een kerkenzakje worden gestopt. Het geld dat op die manier werd opgehaald werd later gebruikt voor festiviteiten.

Non Sordent schaart zich in 1852 uiteindelijk toch bij het Corps. Het krijgt daar een aantal bijzondere privileges. Zo mogen de Zeeuwen de voorste koets met paarden bemannen bij defilés.

Na 1900 verandert Non Sordent steeds meer van een ernstig clubje in een gezelligheidsvereniging. Door een gebrek aan nieuwe leden worden ook de toelatingscriteria verruimd. Zo zijn uiteindelijk bijvoorbeeld ook leden welkom die uit Zeeuws-Vlaanderen komen. ,,Voor die tijd zagen ze die als Belgen’’, zegt Meijers. ,,Ze noemden hen ’overkanters’. Er werden ook leden toegelaten die warme vakantiegevoelens voor Zeeland koesterden. Zij werden ’badgasten’ genoemd.’’

Hoewel er gedurende het bestaan van Non Sordent dus de nodige zaken zijn veranderd, zijn sommige zaken altijd hetzelfde gebleven. Eén van die constanten is, net als bij de meeste onderverenigingen van Minerva, de ongemengdheid van het genootschap. Nog altijd is het niet toegankelijk voor vrouwen. In het boek tekent Meijers het verhaal op van Minvervaan Emma Heijning, telg uit een bekende Zeeuwse familie. Haar vader was bestuurslid van Non Sordent, maar zelf is het haar desondanks tot op heden niet gelukt om het eerste vrouwelijke lid te worden.

Meer nieuws uit Leiden

Net Binnen

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.