’Hete centen’-verhaal bleef populair

’Hete centen’-verhaal bleef populair
Student-tekenaar Alexander Verhuell tekende studententypes voor Klikspaan. Hij zag zichzelf niet als ’Flanor’, maar veel medestudenten van die tijd wel. herkenden veen studenten dit type toch Glippers en Ballen, Leiden, Ruud Spruit, aflevering 47: een Student-tekenaar 047 a Alexander VerHuell getekend door Johann Peter Berghaus in zijn studententijd 047 b In Leiden was VerHuell vaak in het gezelschap van zijn hond Nero, die we op veel tekeningen afgebeeld zien 047 c Verhuell tekende zich zelf voor ‘Zoo zijn er’, in zijn studentenkamer boven bakker Garrer op de hoek van het Rapenburg en het Noordeinde 047 d In een vlaag van mededogen maakte VerHuell een schets van de biljartjongen waar hij later meisjeskopjes omheen tekende. 047 e Zijn medestudenten herkenden zichzelf zoals op deze tekening van een dispuut 047 f Het door Klikspaan beschreven en door VerHuell geïllustreerde type ‘Flanor’, was niet op Alexander zelf van toepassing 047 g Alexander maakte een pentekening van de bakkerij van Jan Garrer op de hoek van het Noordeinde en het Rapenburg, waarboven hij kamers had van 1845-1849. 047 h De Barbier heeft per ongeluk bij een student enkele met moeite gekweekte snorharen geknipt 047 i Doldwaze verhuizing van een student 047 j Duel met de dood. Bijna was Alexander zelf in een duel verzeild geraakt 047 k Omslag eenvoudige uitgave ‘Zoo zijn er’ 047 l Omslag prachtuitgave ‘Zijn er zo? ‘ 047 m Portret dat Alexander VerHuell van zichzelf maakte
© Zie caption
Leiden

Een typisch, veel verteld, Leids verhaal is dat van de studenten die heetgestookte centen ’naar de arbeiders’ gooiden. De Leidse historici Peter Burger en Bart van der Steen vroegen zich af hoe het kan dat dit verhaal zo hardnekkig blijft hangen in de Leidse collectieve herinnering, hoewel het verwijst naar een gebruik dat aan het eind van de negentiende eeuw al was uitgestorven. In het juninummer van het Tijdschrift voor Sociaal-Economische Geschiedenis publiceren ze er een artikel over.

Het gooien van centen, duiten en stuivers, maar ook van sinaasappelen, snoepgoed en sigaren tijdens feestelijke gelegenheden, was in de negentiende eeuw een wijdverbreid gebruik. Het gebeurde in heel Europa. Het was een manier van ’welgestelden’ om kinderen of armen ’te laten delen in hun rijkdom’. Ook in Leiden gebeurde dat. Elk jaar op 30 april, als de fontein op de Vismarkt in gebruik werd genomen, gooiden bewoners van de huizen in de buurt centen uit de ramen, ’voor straatjongens en fabriekers’.

Vernederend

Het gebruik was in principe goedmoedig, maar door de centen heet te stoken, kon ook een pesterig en vernederend trekje krijgen. Rond 1860 gingen de jaarlijkse bijeenkomsten van de sociëteiten Amicitia en Minerva standaard gepaard met het gooien van ’heete centen, welke dan door de Muzenzonen met kwistige hand onder de bevolking uit de achterbuurten worden uitgestrooid’.

In hun artikel brengen Van der Steen en Burger het ’studententype’ Flanor in herinnering, die in 1841 werd bedacht door student-auteur Klikspaan (1814-1885). Flanor was zo’n boven-de-wet-staande, elitaire student, die ’gul en brutaal’ was, maar die ook misbruik maakte van zijn bevoorrechte positie in de strenge 19de-eeuwse standenmaatschappij. Hij gooide ’de meeste en heetste centen’. Naarmate de 19de eeuw vorderde, keurden steeds meer mensen het gebruik af als denigrerend en beledigend. De ergernis groeide, al zagen de ’Muzenzonen’ zelf er lange tijd het kwaad niet van in.

Het verhaal is volgens Burger en Van der Steen blijven hangen, omdat het manier was om twee zaken aan de orde te stellen: welke positie nemen de studenten in in de stad? In hoeverre horen ze erbij? En: hoe is het gesteld met de armoede en de sociaaleconomische (on)gelijkheid van de stad?

Vooral in de jaren ’70 en ’80, toen Leiden volgens historicus Cor Smit de donkerste periode in zijn sociale geschiedenis doormaakte, werd het verhaal van de hete centen vaak verteld. Dat gebeurde op twee manieren. Ofwel: ’dat is echt iets van vroeger’, met als impliciete boodschap: Leiden gaat vooruit. Ofwel: ’er is sindsdien weinig veranderd’, met als achterliggende gedachte: Leidenaars zijn nog altijd onmondig en armoedig. Nu de transformatie van arme arbeiders- naar kennisstad is voltooid, heeft het verhaal volgens de historici zijn zeggingskracht ’goeddeels verloren’.

Meer nieuws uit Leiden