’Het lichaam zoekt altijd weer een nieuw evenwicht’

’Het lichaam zoekt altijd weer een nieuw evenwicht’
Meindert Danhof aan zijn keukentafel in Oegstgeest: ,,Wat er verder ook gebeurt, het leven kan wat mij betreft niet meer kapot.’
© Foto Hielco Kuipers

De mail met het verzoek om hem te mogen interviewen is amper verstuurd, of ’per kerende post’ is zijn antwoord er al. ’Ik doe graag mee. Laten we een afspraak maken’.

Als ik een paar dagen later bij hem aan de keukentafel (’Hier zitten we eigenlijk altijd’) aanschuif, is het ijs snel gebroken. Meindert Danhof is weliswaar een ’hooggeleerde professor’ en als zodanig wereldwijd een uitgesproken grootheid – zie zijn paspoort – er staat ook een gewone en uiterst toegankelijke man voor me. Een man die, als ik me excuseer voor mijn verwaaide uiterlijk, zegt: ’Ja, het is echt pokkenweer hè.’ Kijk, dan is de toon al gezet. Vervolgens begint hij meteen te tutoyeren en praat hij onbeschroomd over zijn leuke gezin en privéleven.

Lastiger wordt het als hij van wal steekt over zijn vakgebied. Zijn woorden worden doorspekt met vaktermen, waarvan ik de meeste niet kan duiden. Straks maar even googelen, flitst het meermalen door me heen.

Maar ja, die termen zijn voor Danhof natuurlijk gesneden koek. Wat wil je ook, als je al een leven lang geboeid bent door de werking van chemische stoffen op het menselijk lichaam. Naast al het serieuze en persoonlijke is er ook nog ruimte voor ’het triviale’. Want hij heeft als deskundige in dopingzaken voetballers als Jaap Stam en Harald Wapenaar bijgestaan.

Danhof wacht komende vrijdag een groots afscheid. Voor een symposium en bijbehorend afscheidsdiner in de Leidse Stadsgehoorzaal zullen gasten uit de hele wereld overkomen. Hij mag ’maar’ veertig minuten spreken en heeft ’natuurlijk’ veel te veel tekst. ’Veertig minuten: dat is één minuut per jaar!’

Net als ik denk: wat een zondagskind, deze man, alles in het leven zit hem mee, vallen me zijn trillende handen op.

Snelle reactie

„Ik reageerde om twee redenen zo snel op je mail. Ten eerste vind ik dat je, als je een publieke functie hebt, je daar publiekelijk verantwoording over moet afleggen. Mensen hebben het recht te weten wat ik doe bij de Universiteit Leiden. Ja, ik zie dit interview als een kans om een stukje verantwoording af te leggen. Zo heb ik mijn promovendi ook altijd voorgehouden dat ze uitgebreid moeten uitleggen wat hun onderwerp is, waarom het belangrijk is, wat hij of zij heeft gedaan om bij een conclusie te komen… enzovoorts. De tweede reden is dat je verzoek op het juiste moment kwam. Morgen zit ik in Frankfurt, de komende weken blijft het druk, dan zouden we pas op half april uitkomen. Dat je dus niet denkt dat ik zo snel reageerde omdat ik niks te doen heb, haha.”

Cum laude

„Ik was 17 toen ik ging studeren, op mijn 24e was ik afgestudeerd en 28 toen ik promoveerde. Cum laude, ja, dat klopt. De Universiteit Leiden wilde me een vaste baan aanbieden, maar mijn promotor en ik zelf vonden dat het voor een succesvolle loopbaan in het wetenschappelijk onderzoek belangrijk is om ervaring in het buitenland op te doen. Zo kwam ik terecht bij professor Levy in Buffalo. Hij was de Godfather van de farmacokinetiek, dat is de wetenschap hoe stoffen, afhankelijk van de functie van de darmen, in het lichaam komen en zich daar verdelen, en hoe snel de lever ze weer afbreekt.

Een week later heb ik mijn koffer gepakt en ben ik naar Amerika gevlogen. In m’n eentje, ja. Ik ben er bijna drie jaar gebleven. Buffalo is een plaats… het sneeuwt in de Verenigde Staten nergens harder en meer dan daar. In al die jaren heb ik geen woord Nederlands gesproken. Ik ging zelfs in het Engels dromen.”

Juiste moment

„In 1983 kwam ik terug uit Buffalo en begon de samenwerking met de universiteit van Stanford in Palo Alto over de ontwikkeling van technieken waarmee het effect van geneesmiddelen op de hersenen kan worden vastgesteld.

Vier jaar heb ik heen en weer gependeld. Daarna kwam ik voorgoed terug naar Leiden. Al met al heb ik er 41 jaar op zitten bij de universiteit. Dat is niet meer van deze tijd natuurlijk. Veel belangrijker: ik was vaak op het juiste moment op de juiste plaats, vanaf het moment dat ik in 1973 student assistent werd bij de fysiologie, waar ik de microchirurgische technieken leerde tot het moment dat ik in 1986 een baan kreeg in het pas opgerichte Centrum voor Bio-Farmaceutische Wetenschappen.

Dat is allemaal niet te regisseren. Maar je moet er wel voor openstaan.”

Machtig interessant

„Het is machtig interessant, waar ik mee bezig ben. Ik kan er uren over praten. Het is heel mooi, als je iets kunt doen wat én zinvol is, én waar je plezier aan beleeft. Ik kan gerust zeggen dat ik hele dagen met mijn hobby bezig ben. Waarbij het belangrijk is dat je de resultaten van je onderzoeken niet voor jezelf houdt. Die moeten de wereld in.

En op een gegeven moment worden je promovendi belangrijk. Zij zijn voor mij een heel netwerk geworden. Want het gaat niet alleen over je vak, maar ook over de méns. Ik heb hele spannende projecten mogen doen, zeker met die promovendi. Elke promovendus komt op een gegeven moment je kantoor binnen met: ’Ik zie het niet meer zitten’. Gelukkig heb ik er geen één meegemaakt die heeft opgegeven. En ik heb er maar liefst 65 mogen begeleiden.”

Keerpunt

„We staan wat ons vakgebied betreft op een keerpunt. Weet je, historisch gezien zijn medicijnen een soort hocus pocus geweest. We weten van de oude Egyptenaren al dat ze bepaalde planten als geneesmiddelen gebruikten. Ik wil niet zeggen dat de stoffen in die planten niets deden, maar verder was het vooral hocus pocus. Pas in de vorige eeuw werd dat anders. Toen kwam men er achter dat ons lichaam door hormonen wordt aangestuurd. Veel geneesmiddelen zijn niets anders dan een lichaamsvreemd, van buitenaf komend hormoon.

In die tijd zijn bepaalde receptoren ontdekt, en dat heeft een aantal belangwekkende geneesmiddelen opgeleverd, zoals bètablokkers, die de hartslag en bloeddruk kunnen verlagen, en cimetidine, dat de afscheiding van maagzuur remt. Met dit soort middelen kun je het lichaam besturen.”

Keerpunt (2)

„De behandeling van de meeste ziektes is nog symptomatisch. Als je hoge bloeddruk hebt, krijg je een pil die de bloeddruk omlaag brengt. Maar die moet je voortdurend blijven slikken. Je stuurt als het ware de symptomen bij. Maar we krijgen steeds meer inzicht in ziektes. In de toekomst kunnen we het proces van veel ziektes afremmen.

Dat betekent voor ziektes als Alzheimer, waarvoor nog geen medicijn is, dat, als jij van tevoren weet dat je het krijgt, je preventief een geneesmiddel kunt krijgen. Dan worden niet meer de symptomen behandeld, maar wordt ingegrepen in het hele ziekteproces. Jij en ik maken dat nog wel mee, althans, dat hoop ik wel.

De vraag is wel: wil je van tevoren weten wat je kunt krijgen? Niet altijd. Maar in sommige families krijgt bijna iedereen dementie. De kans is groot dat jij het dan ook krijgt. Dáár zou je iets kunnen betekenen. Maar het dilemma is dat je niet iedereen op alles kunt screenen.”

Kennis verloren

„Gedeeltelijk is het waar wat je zegt: er gaat door mijn vertrek kennis verloren. Maar het is ook weer niet helemaal waar, want ik blijf me echt wel met mijn vak bezighouden. Alleen zonder de rompslomp van een heel instituut dat aangestuurd moet worden. En ik ga geen experimenteel onderzoek meer doen. Wat ik wel ga doen is regelmatig experts op mijn vakgebied bij elkaar halen, hier in kasteel Oud Poelgeest, om bepaalde thema’s over geneesmiddelenonderzoek te bespreken en op basis daarvan opinie-artikelen te schrijven over onderwerpen die op dat moment belangrijk zijn.

En ik begin een eigen consultancy-bedrijf. Ja, ik word ZZP’er. Mijn vrouw wordt managing director, dus dat komt goed.”

Dopingkwesties

„Op een gegeven moment belde de KNVB me dat Harald Wapenaar, de keeper van FC Utrecht, betrapt was op het gebruik van efedrine. Wapenaar beweerde dat hij niks had gebruikt, alleen twee theelepels hoestdrank. Toen heb ik op basis van zijn urinemonsters doorgerekend hoeveel hij van dat spul had gebruikt, en die twee theelepels, dat klopte precies. Vervolgens kwam de casus bij een soort rechtbank van de KNVB terecht. Men wilde het wel geloven van die Natterman, maar in het dopingreglement staat dat je geen efedrine mag gebruiken. Dus werd Wagenaar voor acht wedstrijden geschorst.

Ik heb gezien wat zoiets met iemand doet. Enerzijds zakelijk: nu hij er niet in mocht, moest een ander in dat doel staan. Maar ook, en vooral, mentaal. Als je te goeder trouw bent en dan van iets wordt beschuldigd: dat ráákt mensen.” Ook kwam van de KNVB de vraag: ’Professor, als je keeper bent en je gebruikt efedrine, ga je daar dan beter van keepen?’ Antwoord: nee. Bovendien verloor FC Utrecht die bewuste wedstrijd met 0-4.”

Stoppen, want...

„Ik heb altijd snoeihard gewerkt. Toen ik zestig werd, vierde ik mijn verjaardag uitgebreid met familie en vrienden in restaurant Woods. Toen heb ik aangekondigd dat ik vanaf dat moment andere dingen ging doen én dingen anders ging doen. Daar heb ik tijd voor nodig gehad, want wat je in 41 jaar universiteit opbouwt, kun je niet in een paar jaar weer afbouwen.”

Parkinson

„Ik heb de ziekte van Parkinson. Daar maak ik geen geheim van, ik heb het heel bewust aan iedereen verteld. Trouwens, je ziet het aan mijn handen, die trillen soms. Die ziekte is een deel van mij, maar bepaalt niet wie ik ben. Het is dus niet zo dat mijn leven er in het teken van staat.

Ik ontdekte het in een moeilijke periode van mijn leven. Ik was directeur van het LACDR (Leiden Academic Centre for Drug Research, red.) en daar ontstond een crisis door allerlei meningsverschillen. Da’s op zich niets nieuws, zoiets gebeurt bij de universiteit vaker. Maar in diezelfde periode overleed mijn vader. En ineens liep ik met die trillende hand. Dat ging een tijdje zo door, tot mijn vrouw zei: ’Zou je niet eens naar een neuroloog gaan?’ Nou, toen ik die spreekkamer weer uit kwam, had ik een diagnose.”

Niet veranderd

„Gelukkig heb ik een milde vorm van Parkinson: je kunt er oud mee worden. Er zijn twee vormen: bij de ene ligt de nadruk vooral op afwijkingen in de lichaamshouding, bij de ander, die ik heb, krijg je last van trillende handen of andere ledematen, maar is de snelheid waarmee de ziekte voortschrijdt, langzamer. Dan kun je dus beter deze vorm hebben.

De ziekte heeft me in mijn ’mens-zijn’ niet veranderd, nee. Ik ga ook gewoon dóór. Af en toe ondervind ik er de beperkingen van. Bij mijn afscheid is er een symposium in de Stadsgehoorzaal, daarna gaan we naar het Academiegebouw en dan weer terug voor een diner in de Stadsgehoorzaal. We logeren die avond in een hotelletje om tussendoor even bij te komen. Je houdt er dus rekening mee. Maar ik ben optimistisch over mijn toekomstperspectief. Ik hoop nog een tijdje mee te gaan. Wat er verder ook gebeurt, het leven kan wat mij betreft niet meer kapot. Ik heb meer dan 500 publicaties geschreven, 65 promovendi begeleid, de hele wereld gezien, en altijd een heel stabiel, vrolijk thuisfront gehad.”

’Drive’

„De vraag is me wel vaker gesteld, maar: nee, al zou ik zelf een geneesmiddel kunnen ontwikkelen tegen mijn eigen ziekte, dan ging ik dat niet doen. Daar ben ik te onbelangrijk voor. Ik wil dingen doen en blijven doen die toegevoegde waarde hebben voor ’de maatschappij’. Want er is in mijn vak nog zoveel te doen. Het staat bij wijze van spreken nog in de kinderschoenen en dat zal altijd zo blijven. Want als het ene probleem is opgelost, dient het andere zich alweer aan. Een voorbeeld. Vroeger ging je dood aan een hartaanval, nu niet meer. Het gevolg: sindsdien is hartfalen de nieuwe ziekte. Het systeem, het lichaam, zoekt altijd weer een nieuw evenwicht.”

Meer nieuws uit Leiden

Keuze van de redactie