Neanderthalers staken prooi met speer dood

Leiden

Mensachtigen eten al zeker 2,5 miljoen jaar vlees, maar archeologen hebben tot nu toe zo goed als geen idee hoe zij hun prooien doodden. Aannames zijn er genoeg, maar bewijs ontbreekt. Een team van Duitse, Zwitserse en Leidse archeologen hebben nu ontdekt dat Neanderthalers, die ongeveer 120.000 jaar geleden in het oosten van Duitsland leefden, herten met speren staken om ze te doden. De Leidse archeologen Eduard Pop en Wil Roebroeks droegen bij aan een artikel dat hierover eerder deze week verscheen in het tijdschrift ’Nature Ecology and Evolution’.

De Neanderthalers die Pop en Roebroeks onderzochten, leefden in het midden-Eemien. Dat was een warme periode die voorafging aan de laatste ijstijd (het Weichselien). Het was destijds even warm als nu. Het oosten van Duitsland was bedekt met uitgebreide loofbossen en meren.

Aan de oever van een van deze meertjes, Neumark-Nord, zijn veel botvondsten gedaan van runderen, paarden en damherten. In een eerdere fase van het Eemien, toen het gebied kouder was en meer open, liepen er zelfs Pleistocene bosolifanten rond, waarvan ook veel skeletten zijn gevonden, vaak zelfs compleet. In het bekken van één damhert troffen de archeologen steekwonden aan, waaruit zij opmaakten dat het dier van dichtbij moet zijn doodgestoken. Het is de oudste steekwond die ooit is gevonden. In een eerder opgegraven nekwervel, die sinds 1989 in depot lag, werd later nog een steekgat in een nekwervel gevonden.

Besluipen

Uit deze ontdekking blijkt dat deze Neanderthalers goede jagers waren, en dat ze zich op hun gemak voelden in het bos. Het is heel moeilijk om een prooidier zo dicht te besluipen, dat de jager een dier van dichtbij kan steken. Het is een ’confronterende manier van jagen’, zegt Pop, ’die zorgvuldige planning en zeer nauwe samenwerking tussen individuele jagers’ vereist. De dieren moeten worden omsingeld en opgedreven, en vervolgens in een hinderlaag (moeras of water) worden gedood. Door ze van zo nabij te benaderen, liepen de jagers zelf ook kans om te worden gestoken, want de damherten - jonge, sterke volwassen dieren - hadden scherpe geweien.

Nadat de Neanderthalers de damherten hadden gedood, werden ze snel geslacht. Uit de verdeling van het botmateriaal maakten de archeologen op dat de romp, de schouder- en bilpartijen snel en vrij grof werden losgesneden. Daarna werden de karkassen elders tot kleinere, hapklare stukken verwerkt.

Om uit te zoeken hoe de dieren waren gedood, deden de archeologen allerlei steekproeven. Daarbij maakten zij gebruik van bewegingstechnologie en een proefopstelling met ’ballistische gel’ die ook door de politie wordt gebruikt om te onderzoeken hoe steekwonden zijn ontstaan. Het doodsteken van een dier vereist veel kracht. De onderzoekers huurden voor dit steekonderzoek daarom zelfs getrainde kungfu-beoefenaars in.

Werpen

Tot nu toe gingen de meeste onderzoekers ervan uit dat Neanderthalers meer in open gebied leefden. In Engeland (Clacton) en in Noord-Duitsland (Schöningen) zijn speren gevonden die door Neanderthalers zijn gebruikt, maar die dateren uit veel vroegere perioden. De speren uit Schöningen waren goed gebalanceerd en konden dus worden geworpen. Maar dat hoeft dus niet. Pop vermoedt dat Neanderthalers beide deden: werpen en steken. Zo doen moderne jager-verzamelaarsvolken het ook, schrijft Pop in het Nature-artikel. Jagers die hun prooi willen doden door een speer te werpen, moeten het dier trouwens óók van dichtbij benaderen: een speer is effectief tot een afstand van zes tot acht meter.

Meer nieuws uit Leiden

Ombudsman

Ombudsmannen Durk Geertsma & Ed Brouwer springen in de bres voor de consument.