TNO drukt dierproefvriendelijkheid Bio Science Park

Leidsche Buurten
Leiden

De vele medicinale vindingen van bedrijven op het Bio Science Park zijn vaak onlosmakelijk verbonden met dierproeven. En het valt niet mee om een vinger te krijgen achter het antwoord op die ene prangende vraag: hoe dierproefvriendelijk is het BSP eigenlijk?

Actuele cijfers zijn er niet. De Nederlandse VWA, inspecteurs van dierproevenwelzijn, heeft nog altijd geen gegevens over 2012. Het meest recent zijn die van twee jaar geleden. En daaruit blijkt dat het BSP beter scoort dan het landelijk gemiddelde. Het Leids Universitair Medisch Centrum(LUMC), TNO en de laboratoria Gorlaeus en Sylvius van de Universiteit Leiden doen dierproeven. Sinds 2009 passen ze het zogenaamde 3-V beleid toe: vervanging, vermindering en verfijning van de proeven. Op het gebied van vervanging van dieren, oftewel alternatieven voor dierproeven, boekt het park successen. Zo promoveerde Suzan Commandeur onlangs op diervriendelijke testmodellen voor medicijnen tegen patiënten met huidkanker. Levende cellen van mensen of dieren worden gebruikt voor onderzoek, in plaats van het rechtstreeks testen van medicijnen op dieren of mensen zelf.TNO ontwikkelde als dierproefalternatief het maagdarmmodel(TIM) om de vertering van voeding- en geneesmiddelen te onderzoeken. Tegen de landelijke trend in, daalt het aantal proeven op het Bio Science Park. Zowel in aantal soorten dieren (katten, honden, konijnen, varkens, geiten, cavia’s, hamsters en andere knaagdieren) als het totaal aantal dierproeven. Positieve uitschieters zijn het LUMC en beide laboratoria van de Universiteit: het aantal proeven in het LUMC liep tussen 2010 en 2011 met zeven procent terug (nog altijd 28.249 proeven). Ook het aantal dierproeven binnen de laboratoria van de Universiteit Leiden is in hetzelfde jaar teruggedrongen; met 15,6 procent (het totaal is nog altijd 5.600). Hier testen ze alleen op muizen, ratten, vogels en vissen. Bij TNO, de derde instelling binnen het BSP waar dierproeven uitgevoerd worden, is een forse stijging in het gebruik van proefdieren. In het jaar 2010-2011 is het aantal dierproeven bij deze instelling met 19,4 procent toegenomen(nog altijd 14,560). TNO voert dierproeven uit op een breed scala aan diersoorten: muizen, ratten, hamsters, cavia’s, konijnen, honden en geiten. Tegenwoordig zet het onderzoeksinstituut ook minder bekende diersoorten in, zoals minivarkens en zebravissen. De toename van dierproeven ligt volgens de organisatie aan het verhoogde aantal generatiestudies in 2011. Generatiestudies bestaan uit het volgen van de evolutie van een diersoort. (Cathelijn Paling/ Cynthia Kroet)

Meer nieuws uit Leiden

Net Binnen

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.