Virtuoos lijnenspel in Pieterskerk

Het Hagerbeerorgel in de Pieterskerk. Foto Quentin Kozuchowski

Wilfred Simons
Leiden

Zelfs op deze zonnige zomerdag wandelt menig orgelliefhebber de Pieterskerk in om deze prachtige ruimte pas te verlaten na het laatste akkoord op het glanzende Van Hagerbeerorgel.

Eén keer vergast organist Vincent Henzen ons op het Thomas Hillorgel met een eigen improvisatie op Psalm 121 (Ik hef mijn ogen op naar de bergen waarvan mijn hulp komen zal). Welnu, Hensen zit in zijn voorspel behoorlijk in de put en heft zijn ’noten’ pas op als de psalm echt aanvangt. Nog wanhopig zoekend, via trieste dissonanten en vage harmonieën, speelt hij traag toe naar een plechtig koraal waarvan zijn hulp komen zal. In het pedaal donkert de melodie, wat versneld als het lied ons leert waar wij ons toch het veiligst heen moeten spoeden om breeduit en uitnodigend te eindigen: Hij zal ons immers voor eeuwig behoeden. Een mooi staaltje van eenentwintigste-eeuwse compositiedrang.

Met Franz Tunder (1614-1667), eertijds organist in de Mariakerk in Lübeck, zet Hensen de toon van het zondagmiddagconcert. De Hagerbeer pakt fors en feestelijk uit met een allesomvattend geluid, en virtuoos lijnenspel in de Praeludium in g. Hoewel in mineurtoonzetting is hier sprake van Renaissance, wedergeboorte op z’n vitaalst. Fraaie baslijnen, krinkelende versieringen, herhalingen met echo-effecten sieren de koraalfantasie ‘Komm Heiliger Geist, Herre Gott’.

Gorgelende registratie

De Cantus firmus verschijnt in S. Scheidts ’Cantio Sacra Vater Unser’ op allerlei manieren, laag, hoog, in het middenregister, met een bijzonder gorgelende registratie, waarboven, langs en omheen de fantasierijke loopjes hun weg vinden. In de laatste overdonderende variatie is de vaste zang opgenomen in majestueuze harmonieën, wellicht om de woorden van het Onze Vader kracht bij te zetten. Psalm 36 van Jan Pietersz. Sweelinck, althans de melodie, profileert zich opvallend helder afstekend tegen de snelle, eveneens aangename omspelingen. ’Goden en mensen mogen schuilen onder de schaduw van uw vleugels’; uw ‘muziek’ lijkt Sweelinck ervan gemaakt te hebben met schuilbewegingen van menige noot?

Matthias Weckmann, leerling van Heinrich Scheidemann, veroverde in 1654 een orgelplek in de Jacobikerk te Hamburg. Zijn Magnificat, de lofzang van Maria, vangt voluit stralend aan, waarop een nasale registratie wordt uitgetrokken die de muziek door je neusgaten laat stuiven in een wervelende notenstroom. De hymne eindigt met vrolijk (cymbaal) geschal om te benadrukken dat Maria haar ziel wil groot maken voor de Heer.

Lidy van der Spek

Vincent Hensen op de Van Hagerbeer- en Thomas Hillorgels. Gehoord: 9-8, Pieterskerk, Leiden.

Meer nieuws uit Leiden

Net Binnen

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.