Joost Prinsen: Erfenis

Joost Prinsen: Erfenis

Onlangs vertelde ik een jonge vrouw een aardig verhaal over Wim Kan. Toen ik uitgepraat was, keek ze me beleefd maar niet begrijpend aan. Het duurde even voor ik in de gaten had dat ze niet wist wie Wim Kan was. Sonneveld en Toon Hermans deden een bel rinkelen maar Kan niet.

Wel begrijpelijk. Wim Kan had de actualiteit als onderwerp en er zijn nu eenmaal niet veel actuele grappen - „Hirohito, zou Wiesenthal zijn adres niet weten” - die veertig jaar later nog leuk zijn.

Ik vroeg me wel af hoeveel er van de twee andere leden van de ’Grote Drie’ uit de jaren zestig en zeventig was blijven hangen. Laten we met elkaar ons geheugen eens raadplegen. Ik ga er voor het gemak even vanuit dat u net als ik wat ouder bent.

Ik kom tot tien nummers uit het repertoire van Toon Hermans die ik nog steeds leuk vind. Zijn conferences over de stoel van zijn zus, over de dode duif, het aanzitten aan het diner, de vogelkenner en Snieklaas. En vijf liedjes: ’Ballonnetje’, ’Sien’, ’Vader gaat op stap’ (schitterend cabaretlied), ’Mediterranée’ en ’Vierentwintig rozen’.

U kunt dat nog aanvullen natuurlijk. En misschien deelt u niet al mijn voorkeuren. Maar samen komen we tot een stuk of tien herinneringen denk ik. Dat is overigens niet niks. Al dat repertoire is minstens 40 jaar oud. En hoeveel nummers zal Nederland over veertig jaar nog kennen van Youp of Herman Finkers? Al is die vergelijking niet helemaal eerlijk want het cabaret is onder invloed van Freek steeds meer verhalend geworden. En minder een optelsom van losse nummers zoals vroeger.

Bij het repertoire van Sonneveld vergaat het me hetzelfde. Ook hier een stuk of tien herinneringen. ’Frater Venantius’, ’Het krokettennummer’, ’De stalmeester’, ’Nikkelen Nelis’, ’Tearoom tango’, ’Het dorp’, ’De zomer van 1910’ (zijn mooiste lied, luister er eens naar op youtube), ’Lieveling’, ’Margootje’, ’Marjolijne’. En dan herinner ik me nog een act waarbij hij eindeloos bitterballen at.

Ook hier hebt u zonder twijfel uw eigen aanvullingen. Wat me opvalt is dat Hermans op zijn best - ’De duif is dood’ - onovertroffen is. Dat doet geen Kan of Sonneveld hem na en evenmin de generatie na hen.

Maar veel van Toons repertoire is nu tamelijk flauw. De eindeloze namen-opsomming van de voorzitter, het eindeloos verbaasd kijken naar zijn medewerker die om een autosleuteltje vraagt. Niet echt leuk.

Dat zie je bij Sonneveld niet. Ik zou nauwelijks een nummer van hem kennen dat nu absoluut niet meer kan. Sonnevelds ondergrens ligt hoger. Ook hier is de vergelijking net helemaal sportief. Zijn repertoire was veelal gezongen. En liedjes beklijven wat makkelijker.

Maar toch. Sonneveld stond veertig jaar terug niet als de meest getalenteerde van de drie bekend. Maar lang na zijn dood blijft zijn werk het best overeind.

Meer nieuws uit Nieuws