Alsof zijn leven in mijn waagschaal valt

Alsof zijn leven in mijn waagschaal valt
Dorie Pols.
© Foto Taco van der Eb

Het voelt altijd alsof ik in de verkeerde rij sta bij de supermarkt. Maar helaas, er is geen mogelijkheid om een andere rij te kiezen. Als er al sprake is van een tekort aan personeel in de bajes, dan is dat in elk geval direct merkbaar bij de ingang. En van enige privacy is al helemaal geen sprake.

Er wordt van mij verwacht dat ik zijn naam door het kogelvrije raam brul, mijn mond dichtbij het ingebouwde microfoontje, met vele toehoorders achter mijn rug. Zo nu en dan brult men terug: „Bent u hier al eerder geweest?” Alsof ze niet om de week alle gegevens van mijn ID nauwkeurig overtikken.

Eenmaal door de metaaldetectiepoort volgt het wachten in de spreekruimte. Aan de rechterkant de rode alarmknop en achter mij de getraliede ramen, uitkijkend op een hoog ommuurd plein met afgedankte bedden en afvalcontainers. En als ik verderop sleutels hoor rammelen en voeten in slippers naderbij hoor komen, dan weet ik dat hij het is.

Hij heeft zijn baard laten staan. Geen zin om zich steeds te scheren. De knokkels van zijn rechterhand zijn flink beschadigd. „Na de laatste zitting heb ik in mijn cel tegen de muur geslagen.” Hij vertelt het bijna achteloos. „Ik was de wanhoop nabij.” En dan vurig: „Van mij hoeft het niet meer. Als ik al buiten kom, dan breekt de hel los!”

Zijn mond is droog. Het is ramadan. Hij heeft naar een speciale uitzending op de radio geluisterd. Hij heeft gehoord dat de imam ontroerd was door een tekst en deze later nagelezen in de koran, het enige boek dat hij in zijn cel bewaart. De tekst ging over de weegschaal van goed en kwaad. Als de ’kwade kant’ door slaat is er geen hoop meer. Hij kijkt me aan: „Daar huilde hij dus om, begrijp je?”

„Hoe ziet jouw weegschaal eruit?” Hij wrijft nadenkend met de geschonden hand over zijn baard. „Ik weet het niet. Ik heb eigenlijk geen idee.”

En dan, lachend: „Jij zult wel zeggen dat hij naar de goede kant doorslaat.” „Waarom zou ik dat zeggen?” „Omdat jij achter me staat, nog steeds. En je vertrouwt me. Dus dat.” Dan recht hij zijn schouders en er verschijnen vlammetjes in zijn ogen: „Laatst zei iemand op mijn afdeling dat hij niet begrijpt wat ik hier doe. Hij zei dat ik iemand ben die buiten hoort te zijn. Gewoon in de maatschappij. Dus ik denk toch dat mijn goede kant gezien wordt, begrijp je?!”

De detectiepoort piept als ik er voor de tweede maal doorheen ga. Maar dat mag als je naar buiten gaat. Op het grauwe parkeerterrein breng ik, kijkend naar de punten van mijn schoenen en bij elke stap, mijn eigen weegschaal in kaart. Rechts, links, goed, kwaad, rechts, links, goed, kwaad. De eentonige dreun in mijn hoofd brengt geen balans.

De volgende dag belt hij. „Weet je, na gisteren heb ik me bedacht. Als ik al buiten kom en ik krijg nog een kans, dan pak ik ’m! Wil jij me dan weer helpen?” Het klinkt als een bevel. Alsof hij zijn leven bijna letterlijk in mijn waagschaal gooit.

En, zonder dat hij het zich bewust is, heeft hij wat het zwaarst is, het zwaarst laten wegen. Zijn weegschaal slaat, net als de mijne, weer door naar de goede kant.

Lees meer verhalen van Dorie Pols

Dorie Pols is ambulant begeleider bij stichting Exodus, een organisatie die zich inzet voor gevangenen, ex-gevangenen en hun familieleden. Voor het Leidsch Dagblad schreef zij een serie columns over haar werk.

Meer nieuws uit Leiden