Column Dorie Pols: Ik krijg die lach niet van mijn gezicht

Column Dorie Pols: Ik krijg die lach niet van mijn gezicht
Dorie Pols.
© foto Taco van der Eb

Dorie Pols is ambulant begeleider bij stichting Exodus, een organisatie die zich inzet voor gevangenen, ex-gevangenen en hun familieleden. Voor het Leidsch Dagblad schreef zij een serie columns over haar werk.

Vlak voor de rechtbank in Den Haag, rook ik nog snel een peuk. Een collega van de Back Office naast me. In het kader van ’welke mensen schuilen er achter al die cijfertjes die ik dagelijks in de computer verwerk’, is zij met me mee gegaan. Ik heb haar uitgenodigd om te ’ruiken’ aan ons werk. En besef tegelijkertijd dat het maar een piepklein deel ervan is.

Mijn telefoon staat niet stil. Er zijn meer mensen die een beroep doen op mijn eindeloze geduld en bereidheid om me in te zetten. Ik hoor mezelf in gedachten zeggen: „Ik wil en zal er zijn, voor jou, voor jou en voor jou...”

Maar nu even niet. Nu moet ik me alleen richten op die ene. De getergde. Degene die voor de zoveelste keer ’voor moet komen’, zoals je dat dagelijks hoort op het journaal. En wat dat ’voorkomen’ inhoudt, weten mensen die dat nooit écht meegemaakt hebben, niet. Een rij in het zwart geklede mensen die vanaf een hoog ’gestoelte’ bepalen wat er met jou gaat gebeuren... Het moet een ware martelgang zijn.

Toch werp ik een blik op de dringende oproepen. Zijn advocaat belt. Die móet ik opnemen. „Ik ga voor schorsing van het voorarrest!” klinkt het. „Kun jij me garanderen dat hij morgen een plek heeft bij jullie? Zo ja, dan meld ik je nu aan bij de rechter en mag je het woord doen!”

„Oké!” Even slikken. Natuurlijk zeg ik oké. Opgeven staat niet in mijn woordenboek. Nog tien minuten voor de zitting. Toch snel even de directeur bellen om bevestiging en ondersteuning. Er moet iemand achter me staan, als ik daar straks sta. Die steun krijg ik, ook al zit zij middenin een overleg, inclusief een aanwijzing dat ik vooral in en uit moet blijven ademen.

Een paar minuten later nemen we, na een snel overleg met de gehaaste advocaat, plaats op twee van de vele lege stoelen ten overstaan van de indrukwekkende rij ’zwarte’ mannen. Rechts in de hoek één vrouw die klaar zit om elk gesproken woord razendsnel in te tikken. Twee agenten komen binnen. Tussen hen in de man waar ik het voor doe. Ik zie zijn gebogen schouders in het shirt dat ik al zo vaak gezien heb. Tranen springen in mijn ogen. Het contrast met hen die bepalen over zijn leven en zijn kwetsbare rug is te groot.

Even kijkt hij om. Een blik van verstandhouding, die hetzelfde moment weer weg is als de stem van de rechter klinkt.

Na een relaas van de advocaat hoor ik mijn naam en is daar het moment dat ik geacht wordt naar voren te komen. De beëdiging van ’ik spreek de waarheid en niets anders dan de waarheid’ is niet nodig. Men gelooft mij blijkbaar op mijn blauwe ogen. In een flits bedenk ik: stel voor dat ze niet blauw maar, net als die van hem, donker zouden zijn...

Ik som op wat ik op voorhand en op aandringen van hemzelf voor hem heb geregeld en ingedekt, met de nadruk op het feit dat ik bevestiging heb van mijn directeur. Ik spreek een onvoorwaardelijk vertrouwen uit in zijn enorme inzet en motivatie. En ik beloof dat er sprake zal zijn van een onmiddellijke voortzetting van zijn resocialisatietraject.

Ze trekken zich terug voor beraad. De spanning gonst oorverdovend door de doodstille zaal. Er klinkt geen ’all rise’ als ze weer binnenkomen. We zitten niet in een film, al lijkt dat er wel op als blijkt dat het verzoek tot schorsing toegekend wordt. Ik zie dat hij zijn hoofd buigt als in een totale overgave aan het moment waar hij zo lang op heeft gewacht.

Als ik hem de volgende dag ophaal en hij met twee grote tassen door de grauwe gevangenispoort stapt, moet ik me inhouden om hem niet tegemoet te rennen. Hij wil nog niet meteen in de auto. „Eerst even lucht happen”, verzucht hij. Eenmaal onderweg zegt hij: „Je hebt iets niet gezien gisteren. Ik kreeg tranen in mijn ogen toen ik de uitspraak hoorde!” Het klinkt als een bekentenis. Ik vertel hem, op mijn beurt, over mijn tranen. We zijn samen even stil. Dan zegt hij opgewekt: „Maar weet je, welk liedje er al de hele tijd in mijn hoofd zit? ’Ik krijg die lach niet van mijn gezicht’. Ken je dat liedje?”

Samen rijden we al zingend zijn nieuwe toekomst tegemoet:

„Ik krijg die lach niet van mijn gezicht, dat zou je wel willen...!!”

Lees meer verhalen van Dorie Pols

Dorie Pols is ambulant begeleider bij stichting Exodus, een organisatie die zich inzet voor gevangenen, ex-gevangenen en hun familieleden. Voor het Leidsch Dagblad schreef zij een serie columns over haar werk.

Meer nieuws uit Leiden

Keuze van de redactie