Premium

Journalistieke rotten Ruud Paauw en Jan Leune en de toekomst van de regionale journalistiek

Journalistieke rotten Ruud Paauw en Jan Leune en de toekomst van de regionale journalistiek
‘Oude rotten’ in het krantenvak Jan Leune (links): Er komt een tijd dat kranten alleen nog digitaal verschijnen.’’ Ruud Paauw: ,,Ik ben een uitstervende krantendinosaurus.’’
© Foto Hielco Kuipers

Waarom hebben jullie destijds voor het beroep van journalist gekozen?

Paauw: „Ik wist al op m’n elfde dat ik journalist wilde worden. Ik las op jonge leeftijd de krant al, die zat vroeg in de aderen. Op de middelbare school schreef ik voor de schoolkrant. Enfin, al ras bleek dat, als je nergens voor deugt, je journalist kunt worden. En speciaal als je helemaal nergens voor deugt, dan word je sportjournalist. Ik werkte bij uitgeverij Brill maar had als hobby het verzamelen van oude sportfoto’s en de Olympische Spelen. Ik schreef daar wat stukjes over, stuurde die naar de krant en warempel, ze werden allemaal opgenomen. Zo is het contact daar ontstaan en ben ik in 1961 bij het Leidsch Dagblad begonnen.”

Leune: „Bij mij min of meer hetzelfde verhaal. Ik werd met een één voor muziek van de Pedagogische Academie gestuurd en die één betekende dat ik niks met onderwijs had. In die tijd schreef ik weleens verslagjes over waterpolo voor de Nieuwe Leidsche Courant, dus mijn eerste gang was toen naar die krant. Maar de toenmalige chef, Simon de Groot, vond het niet zo’n goed idee dat een katholieke jongen als ik bij een protestant-christelijke krant zou komen werken. Hij stuurde me door naar Leo Roozen, hoofdredacteur van de Leidse Courant. Die wilde het wel met me proberen, maar voor de zekerheid liet hij me testen bij dé psycholoog die Leiden daar toen voor had: Stolker, de vader van de huidige rector magnificus. Wat deed de man? Hij gaf een negatief advies. Waarom, heb ik nooit geweten. Roozen trok zich er weinig van aan en nam me toch aan. Zo kwam ik op m’n 19e in het vak terecht. Ik ben altijd een ’regelende’ journalist geweest, kwam al snel in leidinggevende functies terecht.”

Het regionale medialandschap zag er in die jaren zestig in Leiden en omstreken met vijf regionale kranten totaal anders uit. Was de concurrentie niet moordend?

Leune: „Je had Leids/regionale edities van Het Vrije Volk, Het Vaderland, de Nieuwe Leidsche Courant, de Leidse Courant en het Leidsch Dagblad. Het Leidsch Dagblad was met 25.000 abonnees de grootste, de Leidse Courant had de helft, de Nieuwe Leidse 8000, Het Vaderland 1000 en Het Vrije Volk zo’n 800.

Die jaren vormden het begin van het einde van de verzuiling. Iemand die de Leidse Courant las, las per definitie niet één van de andere Leidse kranten. En primeurs: het woord bestond, maar werd overschat. Een primeur had praktisch geen consequenties. Als je als krant een nieuwsbericht van een andere overnam, wist niemand dat.” Paauw: „Nou, hevige concurrentie….. Het was goed dat die andere kranten er waren. Dat hield je scherp. Je kon niet – zoals nu met maar één krant – zeggen: ik wacht nog een dagje met publiceren. Je moest alert zijn.”

Hebben de media – ook en juist in jullie tijd – onvoldoende creatief en alert gereageerd op een revolutionaire ontwikkeling als internet?

Paauw: „Ik ben niet zo’n visionair dat ik dat zag aankomen. Ik maakte bij het LD in 1962 de 25.000ste abonnee mee en later zelfs de 50.000ste. De zaterdagkrant moest in twee stukken worden gedrukt, zoveel advertenties hadden we altijd van met name te koop staande huizen en auto’s. Die huizen en auto’s kwamen als eerste vooraan op de internetpagina’s terecht in plaats van in de krant. Geleidelijk aan heb ik de financiële middelen minder zien worden, maar dat was een sluipend proces. Logisch dat op de ene stap de andere zou volgen. Onze persen konden de zware kleurendruk, die in opkomst was, niet meer aan. Ik vergeet nooit dat ik onze oude zetmachines op een gegeven moment buiten in de regen zag staan.

Daarna volgde de fusie van het Leidsch Dagblad als zelfstandig dagblad met het Haarlems Dagblad. Maar Haarlem kon ook geen kleurenpers betalen, we moesten naar Alkmaar. Tegenwoordig worden alle kranten van Holland Media Combinatie op de persen van De Telegraaf gedrukt.

Journalistieke rotten Ruud Paauw en Jan Leune en de toekomst van de regionale journalistiek
Ruud Paauw (zittend) en Jan Leune bij oude papieren zogeheten krantenleggers van het Leidsch Dagblad en de Leidse Courant.
© Foto Hielco Kuipers

Een heel andere reden van de teloorgang is dat mensen buiten de stad zijn gaan werken en de binding met Leiden veel minder is dan vroeger. In de tijd dat Leiden nog textiel- en conservenfabrieken had, was het zo: je trouwde, je installeerde je en je nam een abonnement op de krant. Kijk ik naar mijn eigen zoon: die gaat om half zeven ’s ochtends de deur uit om op tijd op zijn werk in Rotterdam te zijn en ’s avonds laat komt hij er pas weer in. Dan is hij blij als hij zit. Ik, ik lees de krant, maar ik heb de tijd. De wereld is veel jachtiger geworden.”

Kantelmomenten

Leune: „Je hebt van die kantelmomenten in de geschiedenis…. Ook de Leidse Courant kon geen nieuwe pers betalen en werd in 1965 eerst door Het Binnenhof overgenomen en later, in 1971, samen met die krant door Sijthoff Pers.

In een van de laatste rapporten die ik voor Wegener (Jan werkte daar van 2001 tot 2008 als logistiek manager, red.) schreef, was dat het Financieele Dagblad in 2015 als eerste zou overgaan naar alleen een puur digitale krant. Zover is het nog niet gekomen, en ik denk dat het nog een tijd duurt, maar er komt een periode dat er geen krant meer op papier verschijnt. In Amerika en Engeland is dat met bepaalde kranten al zo. Op een gegeven moment zal het productieproces van drukken, transport en bezorging niet meer op te brengen zijn. Het hele machinepark is in touw voor steeds minder kranten. Neem De Telegraaf: de papieren oplage is in twintig jaar gehalveerd, maar digitaal scoort de krant steeds beter. Wat mezelf betreft: ik heb acht krantenabonnementen en lees ze allemaal digitaal voor een paar euro per stuk per maand. Ik ben gewoon verslaafd. Als ik een dag de kranten niet heb kunnen doornemen, voel ik me fysiek niet goed. Het gaat er natuurlijk niet om dat je acht keer over die brand of dat ongeluk leest, maar om de opiniestukken, de columnisten die je volgt.”

Paauw: „Ik denk dat er altijd wel papieren kranten blijven bestaan, al zullen het er niet zoveel zijn en al zijn een heleboel krantentitels in elkaar opgegaan, zoals de Haagsche Courant en de Rijn en Gouwe in het AD. Weet je, toen de tv een grote vlucht begon te nemen, dacht iedereen: nu is het afgelopen met de radio. Dat is ook niet gebeurd. Ik denk dat er een vast publiek blijft voor papier. Zelf ben ik gehecht aan papier, ik ben ermee opgevoed en als het even kan, blijf ik de krant ’s ochtends bij het ontbijt op papier lezen. Maar ja, ik ben een uitstervende dinosaurus.”

Was vroeger alles beter of omarmen jullie de huidige status quo in medialand?

Paauw: „Toen ik net begon bij de krant ben ik eens meegelopen met een bezorger die de krant al vijftien jaar bezorgde. Die krant ging huis aan huis in de bus. Als er iemand was, die wilde opzeggen, ging ’ie apart langs, vroeg waarom die man of vrouw opzegde en zei: weet je dat je aan mijn nering komt?

Ach jee. Ik ben blij dat ik die tijd heb meegemaakt. Móói, als je weet hoe het is geweest. Ik heb moeite met alles wat verloren gaat.

Wel moet ik toegeven dat deze digitale tijd het ook mogelijk maakt dat je aan dingen komt, waarvan ik nooit had gedroomd er aan te komen. Ik verzamel oude sportfoto’s, via internet krijg je ze vanuit de hele wereld te pakken. Maar het blijft jammer dat het grafische vak is verdwenen.”

Leune: „Ik heb dierbare herinneringen aan de tijd dat de krant nog in lood werd gedrukt. Maar tegelijkertijd omarm ik het nieuwe. En als je goed kijkt, is het vak er nog wel. Er worden op beeldscherm fantastische voorstellingen gemaakt. Ook dat is grafisch werk, het heeft alleen een andere invulling gekregen.”

Er zijn tegenwoordig tig meer communicatieadviseurs dan journalisten. Een zorgelijke ontwikkeling?

Paauw: „Zeg dat wel! Ik ben blij dat ik de Pietje Bell-tijd van de kranten heb meegemaakt. Het begrip voorlichter of, nog chiquer, communicatieadviseur bestond nog niet. Als je een wethouder iets wilde vragen, belde je die rechtstreeks op. Zo had Katwijk in de jaren zeventig en tachtig een wethouder die tevens huisarts was, Bergman. Als je die belde, kreeg je zijn huishoudster en die zei: hij zal over een half uurtje wel terugbellen wat u in de krant moet zetten. Na hem kreeg je een voorlichter die zei: waaróm wilt u dat weten? Het leger van voorlichters: ik vind het echt een soort kwaad.”

Leune: „Helemaal eens. Voorlichters zijn er eigenlijk doordat bestuurders een soort vrees hebben. Die willen de media van zich afschudden. Bestuurders willen geen enkel risico lopen, dus bouwen een schild om zich heen. Dat tekent hun zwakte.”

Wat zouden de regionale media beter kunnen doen?

Paauw: „Met het handjevol redacteuren dat er nog is, moet de krant niet alleen Leiden, maar de Rijnstreek, dorpen rond Leiden en de Bollenstreek worden bediend. Ga er maar aanstaan. Ik denk dat die mensen doen wat ze kunnen. Je kunt wel kritiek hebben dat er geen mensen meer worden vrijgemaakt die een week in een onderwerp kunnen duiken, maar dat is onmogelijk geworden.”

Leune: „Daarom is het wel fijn dat er nu een Leids Media Fonds is om degelijke diepgravende journalistieke onderwerpen te subsidiëren.”

Paauw: „De oplossing ligt niet in dit soort ad hoc dingen. Als de gemeente Leiden bijvoorbeeld echt begaan zou zijn met het behoud van de enige krant die de stad nog rijk is, dan zou ze op z’n minst de wekelijkse gemeentelijke mededelingen in het Leidsch Dagblad zetten in plaats van in een huis-aan-huisblad. Al is dat niet de redding van de krant, dan doe je tenminste iets. Maar ik denk weleens: misschien maken ze op het Stadhuis wel een rondedansje als het LD over de kop zou gaan. Dan is er geen enkel blad meer dat de gemeentebestuurders op de vingers kijkt.”

Komende week is het mediadebat in het Leidse Stadhuis. Jan, jij gaat daar vertellen hoe het Leidsch Dagblad zijn abonnees beter kan bedienen. Is dat niet aanmatigend?

Leune: „Ik zal een tipje van de sluier oplichten van wat ik ga vertellen: mijn visie op een levensreddend plan van de regionale krant. Zowel het Leidsch Dagblad, NRC als De Telegraaf hebben dezelfde eigenaar, een Belgisch concern. Bied je abonnees de keuze tussen die laatste twee aan en geef ze allebei hetzelfde Leidse katern mee. Dan kun je de algemene redactie bij HMC (moederbedrijf van het Leidsch Dagblad, red.) afschaffen. Scheelt meteen tien miljoen per jaar.”

Meer nieuws uit Leiden

Ombudsman

Ombudsmannen Durk Geertsma & Ed Brouwer springen in de bres voor de consument.