Premium

Lakenhal-conservator Christiaan Vogelaar bezocht als elfjarige al musea: ’Kunst is voor mensen troost en zingeving’

Lakenhal-conservator Christiaan Vogelaar bezocht als elfjarige al musea: ’Kunst is voor mensen troost en zingeving’
Christiaan Vogelaar in de zaal van De Lakenhal waar de nieuwe tentoonstelling Jonge Rembrandt – Rising Star zich afspeelt: ,,Hier in Leiden is het fundament gelegd voor de werken waar Rembrandt wereldberoemd mee werd…‘’
© Foto Hielco Kuipers

Als kind liep hij al menig weekeinde in musea rond. Toen hij docenten op de Universiteit Leiden een uur lang over één schilderij hoorde praten, wist hij wat hij wilde worden: conservator. Christiaan Vogelaar (63) over dertig jaar trouw aan De Lakenhal, zijn nieuwe en prestigieuze tentoonstelling Jonge Rembrandt, ’het allermooiste vak ter wereld’ en dat bijzondere legaat van vijf miljoen.

Als kind naar musea

„Het zat er, denk ik, al vroeg in bij me, want als kind van een jaar of elf ging ik al regelmatig met mijn moeder mee naar veilingen en tentoonstellingen. Ik kan me de tentoonstelling over Rembrandt in het Rijksmuseum in 1967 nog herinneren, ik was toen elf. We woonden jarenlang in Brussel, mijn vader werkte bij de Europese Unie. Elk weekeinde ging ik daar naar het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten. Ik liep er eindeloos rond. Haha, misschien kon ik niet zoveel anders: ik was niet sportief en school was een drama, met vakken als wiskunde, scheikunde en natuurkunde, waar ik totaal niks mee kon.”

’Doe maar rechten’

„Of mijn ouders me gestimuleerd hebben deze richting te kiezen… mmm, nou, ik kom wel een klein beetje uit een artistieke familie. De moeder van mijn vader had altijd schilderes willen worden, maar ze was een net meisje en mocht niet naar de Kunstacademie. Dat heeft haar het hele leven getekend.

Toen het mijn beurt was om te gaan studeren, dacht ik meteen aan kunstgeschiedenis, maar mijn vader had zoiets van: doe maar rechten. Kun je later met waarschijnlijk een goede baan altijd nog een privéverzameling schilderijen van bekostigen. Maar ik heb toch doorgedrukt, mijn vader wijzend op het lot van zijn eigen gefrustreerde moeder, ben naar Leiden gekomen om kunstgeschiedenis te studeren – lang over gedaan hoor, dat kon toen nog.”

Anderhalf uur

„Dat ik conservator wilde worden, had ik in het begin van die studie nog niet voor ogen. Het eerste jaar was gecombineerd met archeologie en daar neigde ik meer naar. Heerlijk om met je handen in de grond te wroeten en te kijken wat je naar boven haalt. Maar vanaf het moment dat ik in de gaten kreeg dat docenten tijdens colleges een uur over één schilderij of over één gebouw konden praten, was het snel beklonken: het werd kunstgeschiedenis. En zelf, zelf kan ik inmiddels nog veel langer dan een uur over één schilderij praten, zelfs anderhalf uur, zoals over Lucas van Leyden bij het Rijksmuseum, toen dat er hing tijdens onze verbouwing.”

Heerlijk vak

„Ik vind het na al die jaren nog steeds een heerlijk vak. Mijn baan is een combinatie van wetenschap, kennis, smaak, diplomatie, organiseren, reizen en communicatie met het publiek. Het werken voor een openbare verzameling met publiek is zoveel interessanter dan louter die schilderijtjes aan de muur. En wat je als conservator doet, doet ertoe. Kunst is voor heel veel mensen belangrijk. Kunst is troost, is zingeving, iets waar mensen ontzettend van genieten. Het is het leukste vak ter wereld, maar dat heeft ook te maken met de positie van Museum De Lakenhal. We hebben hier een stedelijke verzameling uit Leiden en omgeving. Dat vind ik veel interessanter dan een museum dat los van een bepaalde context staat. De kunst die wij laten zien, is hiér gemaakt. We hebben een schilderij van Rembrandt waarvan je weet: dat is een paar honderd meter verderop geschilderd. Van Gerrit Dou idem dito. Leiden heeft een enorm cultureel verleden, dat is nog steeds springlevend en leeft enorm onder de bevolking. Zelf houd ik erg van Cornelis Engebrechtsz, de leermeester van Lucas van Leyden. Naar zijn prachtige, net gerestaureerde drieluik met de Kruisiging kan ik uren kijken.”

Nooit uitgeleerd

„Als conservator ben je ook nooit uitgeleerd, je bent nooit klaar met kijken en lezen. Er zijn nog zoveel dingen te ontdekken. Een voorbeeld. Het Laatste Oordeel van Lucas van Leyden, het belangrijkste werk in onze collectie, ken ik al ruim dertig jaar. Maar zelfs nu ontdek ik er nog dingen op die ik nooit eerder heb gezien. Dat er op het buitenluik met de Heilige Petrus een piepklein scheepje is geschilderd, echt piepklein, blijkt dat Jezus daar met zijn apostelen op staat. Daar kwam ik achter omdat het schilderij was uitgeleend aan het Rijksmuseum tijdens onze verbouwing. Bij terugkeer moet je zo’n werk dan millimeter voor millimeter scannen, om te kijken of er schade is. Dan ontdek je dat soort details. Fantastisch toch?”

Jonge Rembrandt

„De komende tentoonstelling Jonge Rembrandt mijn geesteskind? Ja en nee. Het kwam zo. Ik ben lang bevriend met de voormalige directeur van het beroemde Ashmolean Museum in Oxford, Christopher Brown, een Rembrandt-kenner. Christopher en ik kwamen op een gegeven moment tot de conclusie dat we samen iets ambitieus moesten doen rond Rembrandt in het jaar van zijn 350ste sterfdag. Per slot van rekening is hij in Leiden opgegroeid en in Engeland was er nog nooit een tentoonstelling aan zijn Leidse tijd gewijd. Nou heb ik in die ruim dertig jaar vijf tentoonstellingen over Rembrandt samengesteld, maar nooit een overzichtstentoonstelling. We besloten het nu echt groot aan te pakken en het hele onderwerp te nemen. En dan met name zijn jonge jaren in Leiden.”

Lakenhal-conservator Christiaan Vogelaar bezocht als elfjarige al musea: ’Kunst is voor mensen troost en zingeving’
Conservator Christiaan Vogelaar bij een van de schilderijen van de tentoonstelling Jonge Rembrandt. Portret uit de National Gallery in Londen van Aechje Claesdr op 83-jarige leeftijd. Rembrandt schilderde het in 1633. Vogelaar: ,,Ik vind het werk verbluffend door de virtuoos losse schildertechniek, maar meer nog door de ongelofelijke expressie van dat oude, wat vermoeide gezicht. Rembrandt kon als geen ander de mens van binnenuit weergeven, en niet slechts van buiten.’’
© Foto Hielco Kuipers

Jonge jaren

Tatatata, het is zo snel gegaan met Rembrandt. De Brillenverkoper, een vroeg werk van hem dat De Lakenhal sinds 2012 in zijn bezit heeft, is nog niet zo’n groot meesterwerk, maar zes jaar later, als hij 24, 25 is, maakt hij al zijn eerste meesterwerken. Werken zoals de beroemde Noble Slav uit New York, waar je mond van openvalt. Dat je denkt: hoe kán zo’n jong iemand het binnen een paar jaar weten te maken. Je ziet bij de tentoonstelling die ontwikkeling. De eerste tien jaar waren essentieel voor Rembrandt. Hij voerde een permanente strijd om de techniek te verfijnen, het weergeven van licht en donker onder de knie te krijgen, schaduwen en verfgebruik. Hier in Leiden is het fundament gelegd voor zijn latere werken waar hij wereldberoemd mee werd.”

’Leen me even ’n Rembrandt’

„Het is niet zomaar iets om Rembrandts in bruikleen te krijgen. Punt één: het is heel kostbaar. Alle musea die Rembrandts hebben, zitten er bovenop als een grote schat. Vaak moet je er zelf heen om te onderhandelen, je moet je gezicht laten zien. Ik ben voor Jonge Rembrandt in Moskou, Londen, Parijs en Berlijn geweest. Nou heb ik altijd wel internationale tentoonstellingen georganiseerd. Leiden is prachtig, maar het gaat niet vanzelf en je moet als museum naar buiten treden. Een boel mensen in die museumwereld kennen me na al die jaren wel en dat helpt. Maar het is Rembrandtjaar, dus wij waren niet de enigen die met hem bezig waren. De eerste contacten met musea dateren van vier, vijf jaar geleden. Zo vroeg moet je beginnen. Anders ben je gewoon te laat en is het van: sorry, het is al aan een ander museum beloofd.”

’Wat doe je dan?’

„De Lakenhal is tot juni dit jaar ruim twee jaar dicht geweest voor de restauratie en nieuwbouw. Sommige mensen vroegen me ten tijde van de verbouwing weleens: heb je nu nog wel wat te doen? Dat is een misvatting. Of het museum open of dicht is: je bent altijd toch wel bezig, al ziet het publiek dat niet. Ik was tijdens de restauratie verantwoordelijk voor de herinrichting van de zalen oude kunst. De sluiting was ook een uitgelezen moment om bepaalde werken te laten restaureren, vergis je niet, aan die restauraties komen tegenwoordig hele commissies te pas. Ik heb de bruiklenen aan andere musea begeleid en aan het net uitgebrachte boek over de geschiedenis van Museum De Lakenhal heb ik ook een bijdrage mogen leveren. Daarnaast heb ik ook geholpen bij de tentoonstelling in De Hermitage Amsterdam over Hollandse meesters. Een leuke bijbaan. Ik spreek wat Russisch, dat is een groot voordeel als je zoals bij De Hermitage in Sint Petersburg met Russen moet onderhandelen.”

’Onze’ kunst elders (1)

„Waarom ik Russisch spreek, nou, toen ik in militaire dienst moest, dachten ze natuurlijk: die Christiaan moeten we geen wapen in handen geven, haha. Ik kreeg een job bij de inlichtingendienst en daarbij kon je een opleiding Russische taal volgen. Vooral de laatste paar jaar heb ik daar veel plezier van gehad. Als bestuurslid van de Stichting Nederlands Cultuurbezit heb ik veel schilderijen in Rusland bestudeerd. Iedereen kent de Hermitage en het Poesjkin Museum in Moskou, maar niemand weet dat er 200 regionale musea in Rusland zijn die tienduizenden schilderijen van Hollandse meesters bezitten die nooit zijn bestudeerd. Allemaal verzameld door oude, rijke families en na de revolutie van 1917 genationaliseerd. Een schat die nog moet worden ontdekt.”

’Onze’ kunst elders (2)

„Ik vind het niet zo’n probleem dat veel van ’onze’ kunstwerken in buitenlandse musea hangen. Je kunt – anders dan in vorige eeuwen – reizen. En over het algemeen worden ze er goed bewaard. Andersom moet je niet onderschatten hoeveel kunstwerken wij in Nederlandse musea hebben die door buitenlandse kunstenaars zijn gemaakt. Nederland is eeuwenlang een knetterrijk land geweest en er is uitzonderlijk goed verzameld, zowel Nederlandse als buitenlandse kunst. En nog steeds hebben we heel veel particuliere verzamelaars die hun steen willen bijdragen, kijk maar naar Joop van Caldenborgh met museum Voorlinden in Wassenaar en Wiet Pot die in Leiden een particulier museum wil stichten. Dat soort mensen moet je koesteren.”

(Te)veel in depot

„Ik denk dat zo’n twintig procent van ons bezit zichtbaar is, de rest is in depot. Maar die twintig procent is wel het beste dat we in huis hebben. We zijn een stedelijk museum, alles, wat we in het depot hebben, heeft een Leidse geschiedenis. Maar je kunt lang niet alles laten zien en bovendien hebben we regelmatig changementen. Je kunt de muren ook niet propvol hangen, dan zie je niks meer.

Leidenaren vinden dat De Lakenhal van hen is en ze laten ons graag iets na. Recent nog hebben we een schitterende tekening van Floris Verster cadeau gekregen. Je krijgt van alles aangeboden. Zo hebben we een kapotte wc-pot uit 1900 staan. Wat moet je ermee?

Ander voorbeeld. We kregen uit een legaat van mevrouw Timmermans uit Oegstgeest een schitterend schilderij, Bloemen en bladeren, van Floris Verster, een schilder die ik erg bewonder. Maar dat legaat behelsde zowat haar hele inboedel. Dan ben je min of meer verplicht om die in z’n totaliteit af te nemen, hoewel het merendeel later weer is verwijderd.”

Legaat van 5 miljoen

„Dit voorjaar kregen we een bijzonder legaat van Carla van Steijn, die ons meer dan vijf miljoen heeft nagelaten. Ik heb haar goed gekend en wist wel dat ze ons wilde helpen, maar zó’n bedrag heb ik nooit kunnen vermoeden. Ik viel steil achterover toen ik het hoorde.

Mevrouw Van Steijn woonde in een klein en sober appartement in Wassenaar en was vrijwel blind. Er hing bij haar dan ook niets aan de muur. Dat juist die vrouw na haar dood toch iets voor de beeldende kunst wilde doen, blijft voor mij een ongelofelijk verhaal. De bedoeling is om het geld bij voorkeur aan oude kunst te besteden. Oude schilderijen waren ook haar liefde. Als meisje had ze meegemaakt dat haar ouderlijk huis tijdens de oorlog werd gebombardeerd. Alles was weg, ook de mooie schilderijen. Ze zag die schilderijen uit haar jeugd telkens als een soort visioen terug, ze kon ze nog precies beschrijven.”

’Gouden Eeuw’ niet weg

„Ik volg die discussie rond het al dan niet wegpoetsen van de term ’De Gouden Eeuw’ met enige verbazing. Als je het over het culturele verleden van ons land hebt, dan is de zeventiende eeuw een gouden eeuw geweest door ongekende talenten als Rembrandt, Jan Steen en Jan van Goyen. Daarover is men het over de hele wereld wel eens. Dat die tijd niet voor iedereen even makkelijk was, dat er misstanden waren, doet daar niet aan af. Dat gaat in zekere zin voor alle tijden op. En je kunt wegpoetsen wat je wilt, maar het verleden corrigeer je niet.”

Meer nieuws uit Leiden

Ombudsman

Ombudsmannen Durk Geertsma & Ed Brouwer springen in de bres voor de consument.