Premium

Peter Schuit: ’In de hongerwinter heb ik mensen uitgeput op straat zien liggen. Of ze werden dood op handkarren weggedragen’ [video]

Peter Schuit (85) uit Waarland. Bracht de oorlogsjaren door in Amsterdam.
© Peter Schat
Waarland

„De laatste boterham was altijd voor mij.” Dat weet Peter Schuit nog goed van de hongerwinter in Amsterdam. Schuit is 85 nu en woont al ruim een halve eeuw in Waarland.

Tijdens zijn werkzame leven was hij purser bij KLM. In de oorlog woonde hij met zijn ouders op Carillonstraat 4 drie hoog in Amsterdam, bij de Amstel. Hij had twee halfbroers, die negen en vijftien jaar met hem in leeftijd scheelden. Vandaar dus die laatste boterham.

Een trauma heeft hij niet aan de oorlog overgehouden, zegt Schuit. „Ondanks mijn jonge jaren ben ik me erg bewust geweest van wat er in de oorlog gebeurde. In de hongerwinter heb ik mensen uitgeput op straat zien liggen. Of ze werden dood op handkarren weggedragen.”

Hij weet van zichzelf dat hij ’geen lekker jongetje’ was. „Ik jatte wat kon. Als je een kistje met appelen zag, had ik er al een paar gepakt.”

Liegt

De oorlogsjaren brachten iets avontuurlijks mee voor kinderen. Schuit schudt meewarig zijn hoofd als hij terugdenkt aan de risico’s. Met een andere jongen ging hij kooltjes en sintels zoeken bij de spoorbaan achter het Amstelstation.

„Daarachter was niets, alleen weilanden. Wie liepen daar toen er een soldaat aan kwam in de verte. We zagen dat hij het geweer van zijn schouder pakte en aanlegde en maakten dat we wegkwamen. Of hij geschoten heeft weet ik niet. Thuis vertelde ik hier niets over.”

Ook dat hij gepakt was door de politie wegens voetballen in het plantsoen hield hij stil. Zijn vriendje vertelde netjes waar hij woonde maar Schuit gaf een huisnummer op ergens in de Van Woustraat. „De ouders van dat jongetje kwamen toen mijn ouders vertellen: uw zoon liegt. Die mensen begrepen er dus helemaal niets van.”

In een voormalige hbs was materiaal van de Luftwaffe opgeslagen en onderdelen voor de Fokkerfabriek in Amsterdam-Noord. De school werd bewaakt door bewapende soldaten.

Doelpalen weg

„We wisten dat er materiaal van een hogedrukleiding lag, waar kleine mooie kettinkjes aanzaten. Mijn broer had op die hbs gezeten voor de oorlog en wist dat je via een luik in de gymzaal onder het gebouw kon komen. Met jongens uit de buurt gingen we inbreken. De onderdelen gooiden we in het Amstelkanaal en met de kettinkjes hingen we onze sleutels aan onze broekriemen. Wie de langste had was helemaal de mijnheer, natuurlijk.”

Van een man kreeg zijn vader twee tennisballen. Ze maakten Peter zo populair dat oudere jongens hem kwamen vragen mee te spelen. „We hielden dan zo’n tennisbal hoog met ons hoofd en kopten hem tussen twee bomen voor de deur.”

Een ochtend werd Peter wakker en waren alle bomen uit de straat. „Er lagen alleen nog wat blaadjes. Onze doelpalen waren weg.”

Amsterdammers haalden ook hout uit de Jodenbuurt, waar door wegvoeren van de bevolking steeds meer leegstand kwam.

„Ze begonnen dan, heel dom, de onderkant van de trappen weg te halen. Ik stond daar met een buurmeisje te kijken toen mannen balken van boven op de straat gingen gooien en ons vroegen daar op te letten. Ja hoor zeiden we, maar mijn buurmeisje pakte zo’n balk en samen zijn we ermee naar huis gehold, bang of ze niet achter ons aan kwamen.”

Die kerels konden echter zo gauw niet naar beneden. Thuis werd de balk eerlijk in tweeën gezaagd.

Internationale

Zijn vader was geboren in 1901. Hij was veel ziek en zat lang werkloos thuis. Moeder werkte bij Bouw- en Woningtoezicht en was de kostwinner thuis. „Mijn vader deed het huishouden. Mijn echtgenotes zouden het later erg waarderen, dat ik dat voorbeeld heb gehad dat een man ook thuis kan aanpakken.

Vader was lid van de SDAP en van de blauwe knoop. „Aan het begin van de oorlog speelde hij ’De internationale’ op de piano met de balkondeuren wijd open. Nadat hij ruzie had gekregen met een bewoner van de Mauvestraat, werd hij voorzichtiger.”

Later in de oorlog kwam zijn vader bij de voedseldistributie te werken. Hij bleef dat doen tot na de oorlog, tot het voedsel niet meer op de bon was. Zijn vader deed ook illegale activiteiten maar het fijne ervan is Peter nooit duidelijk geworden.

„Mijn oudste broer Louis zat in de meidagen van 1940 in dienst bij Rotterdam. Hij heeft gewapende verzetsdaden gepleegd en is opgepakt. Uit Kamp Amersfoort wist hij te ontsnappen.”

Zijn jongere broer Frans, voor zie naarmate de oorlog vorderde het risico te worden opgepakt groeide, sliep op het laatst niet meer thuis maar op zolder bij Bouw- en Woningtoezicht. „De portier liet de deur los, zodat hij en anderen erin konden ’s nachts.”

Onderduikersluik

Ondanks zijn jonge leeftijd wist Peter wanneer hij zijn mond moest houden. „Ik kwam een keer thuis en had een vriendje mee, toen ik zag dat de timmerman van het blok een luik aan het maken was in de kast. Ik heb het vriendje zonder dat ’ie wat kon zien meteen naar buiten geloodst.”

Het luik verborg een schuilplaats voor onderduikers, Schuits vader en broer Frans. „Ik kan me de namen van de onderduikers nog herinneren. Mevrouw Blitz, mijnheer Preker. Mevrouw Blitz heeft de oorlog overleefd, met haar hadden we nog contact.’

Zijn oom, de broer van zijn vader, werd opgepakt omdat hij verzetskrant De Waarheid had verspreid in Amsterdam. „Hij is in Scheveningen gefusilleerd. Het stond op plakaten in de stad. Het is de enige keer dat ik mijn vader heb zien huilen.”

Broer Frans koerierde brieven van onderduikers. Hij leverde een keer een brief af op een adres waar juist de Sicherheitsdienst binnen zat. De brief probeerde hij nog weg te moffelen maar dat werd gezien. „We zijn toen allemaal door de SD opgepakt. Dat mijn halfbroer een andere achternaam had, Kok, dan mijn vader, was verdacht.”

Die avond was Peter alleen thuis toen er mannen de trap op kwamen, die zeiden van de luchtbeschermingsdienst te zijn.

„Ik vertrouwde het niet want mijn vader was blokhoofd van de luchtbescherming en ik zag meteen dat deze mannen daar niet van waren. Mijn ouders waren bij mijn oudste broer, die juist vader was geworden. Toen ze thuiskwamen is mijn vader meegenomen en hebben mijn moeder en ik alle post die we nog hadden verbrand in een emmer en de as door de wc gespoeld.”

Matses

De volgende dag werden Peter en zijn moeder ook opgehaald en naar een politiebureau aan het Sarphatipark gebracht, dat in 1942 was herdoopt tot Bollandpark omdat Joodse namen en verwijzingen naar het Koninklijk Huis uit het straatbeeld moesten verdwijnen.

„Ik werd in een kamer gezet waar ik plaatjesboeken mocht bekijken. Ze gaven me matses - die hadden ze er op een of andere manier - en limonade. Ik weet dat ik door een deur mijn broer Frans in een kamertje zag zitten. Ik heb op een sofa mogen slapen en ben ondervraagd door een rechercheur die Poppesnor werd genoemd.” Dat was de beruchte Hendrik Blonk.

„Ik kende alle namen van de mensen met wie mijn vader contact had, kleine jongetjes hebben grote oren. Maar ik deed of ik van niets wist.” Zijn moeder en hij mochten weer naar huis. Zijn vader werd nog gevangen gehouden.

De brief had Blonk, die werkte voor het Bureau Joodsche Zaken, op het spoor gezet van een Joodse familie die ondergedoken zat in een villa in Epe. „Omdat ondergedoken Joden in de regel hun kostbaarheden bij zich hadden, wilden ze in Amsterdam deze familie oppakken, ondanks dat het buiten hun jurisdictie viel.”

Dat verklaart waarom zijn vader weer werd vrijgelaten. „Ze wilden er geen officiële zaak van maken en waren alleen uit op het geld.”

Na de oorlog zou de affaire wel degelijk tot een rechtszaak leiden, toen Blonk zich moest verantwoorden. „Ik weet nog dat mijn vader er zeer verontwaardigd vandaan kwam, omdat ze kritiek hadden op zijn getuigenis”, zegt Schuit, die eraan toevoegt dat hij het fijne er niet vanaf weet, ’maar dat misschien ook niet heb willen weten’.

De vraag draait natuurlijk om het feit, of informatie van zijn vader leidde tot het oppakken van de familie. Het verweer van zijn vader was altijd dat de brief die gevonden was bij zijn zoon Frans voldoende informatie verschaft had en dat ze hem niet nodig hadden om in Epe de villa aan te wijzen.

Sobibor

Een lezing die wordt bevestigd in het boek ’Kittie Koperberg, een schets van haar leven’ door oud KNMI-medewerker Fons Baede in 2016 uitgebracht. De Joodse Kittie Koperberg werkte bij het KNMI als bibliothecaresse en is in 1943 vergast in Sobibor.

Baede beschrijft hoe op 19 april 1943 Seideravond wordt gevierd in ville De Blauwvoet in Epe. De nacht verschijnt plots de politie uit Amsterdam, die acht volwassenen en een jongen van acht afvoert naar de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam.

Het is een schok voor het verzet in Epe, dat niet begrijpt hoe deze overval tot stand kwam en bang is voor verder verraad. Onderduikers worden onmiddellijk naar andere plekken gebracht.

Baede vond in het in 2010 opengestelde deel van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging het verslag van de naoorlogse rechtszaak tegen Hendrik Blonk, alias Pietje Poppesnor.

Ondergedoken

Daaruit bleek dat vader Schuit vanuit Epe twee brieven had meegenomen van onderduikers aan hun familie in Amsterdam. Zijn zoon is bij het afleveren van een van de brieven in de P.L. Takstraat gesnapt.

Hij probeerde de twee brieven die hij had nog onder een traploper te verbergen maar politieagent Arie Klein Snuverink had dat gezien. Die begreep uit de brieven dat er een aantal Joden in Epe ondergedoken was.

Uiteindelijk moest Schuit mee naar Epe. Om zes uur ’s avonds vertrokken ze met een van de beruchte ’verhuizer’ van Joodse inboedels Abraham Puls geleende auto naar Epe, waar ze om tien uur aankwamen.

Schuit moest De Blauwvoet aanwijzen maar verklaarde na de oorlog dat de brieven zoveel informatie bevatten, dat de politie ook zonder hem de plek wel gevonden zou hebben.

Het incident leidde er overigens wel toe dat Blonk door het hoofd van de SD in Amsterdam Willy Lages werd teruggeplaatst naar het hoofdbureau van politie, omdat hij zonder toestemming van hogerhand de Joden was gaan ophalen. Politieagent Klein Snuverink is door het verzet om het leven gebracht.

De kleine jongen van acht, Nathan Wijler, is de Hollandsche Schouwburg uitgesmokkeld en door het verzet bij pleeggezinnen ondergebracht. Hij emigreerde na de oorlog naar Israël waar hij in 2012 op 77-jarige leeftijd overleed. De andere opgepakte Joden overleefden de oorlog niet.

Lees hier alle verhalen over 75 jaar bevrijding

Meer nieuws uit Extra

Ombudsman

Ombudsmannen Durk Geertsma & Ed Brouwer springen in de bres voor de consument.