Premium

Oranje boeketje voor het raam leverde in de oorlog boete op ter grootte van weekloon

Harry Siewertsen uit Sint-Maartensbrug heeft nog veel herinneringen aan de oorlogsjaren in IJmuiden en Haarlem.
© Nick Maarsen
Sint-Maartensbrug

Harry Siewertsen uit Sint-Maartensbrug maakte vorig jaar iets toevalligs mee. De dag nadat hij rommelde in een blikken trommeltje met oude brieven en andere herinneringen aan zijn ouders kreeg hij een appje van zijn kleindochter Linn, die vertelde op school te werken aan een krant over de Tweede Wereldoorlog. Of zij hem daar wat vragen over kon stellen?

Het blikken trommeltje bevatte aardig wat herinneringen aan de oorlog, zoals een gedicht dat zijn moeder na de bevrijding schreef over haar naar Duitsland weggevoerde broer.

En ook een bekeuring, gedateerd 31 augustus 1941. Dat was de verjaardag van koningin Wilhelmina.

Ter ere daarvan hadden zijn ouders een vaasje met oranje goudsbloemen in de vensterbank gezet, wat de bezetter niet was ontgaan. „De boete was tien gulden, in die tijd een weekloon”, kon Siewertsen zijn kleindochter uitleggen.

Het was volgens hem de enige openlijke daad van verzet van zijn ouders. Wat hij zich althans herinneren kan. Want Harry was nog klein in de oorlog, hij is geboren in 1939, aan de Verlengde Wijk aan Zeeërweg in IJmuiden.

„Ik was drie toen we daarvandaan verhuisden naar Haarlem. Onze wijk werd afgebroken omdat die in het schootsveld van de Duitse kanonnen lag die vanuit IJmuiden de spoorbrug over het Noordzeekanaal bestreken. Mijn vader was visboer en had een ventwijk in Haarlem. Via via wist hij een klein huisje te krijgen in Haarlem: Lange Heerenstraat 40. Ik was drie, dat weet ik heel zeker, want ik herinner mij mijn vierde verjaardag in de Lange Heerenstraat nog.”

Een klein jaar later volgde de verhuizing naar de Marnixstraat.

Kelderkast

Ook uit de tijd in IJmuiden heeft Siewertsen nog herinneringen. Zoals dat het gezin bij luchtalarm schuilde in de kelderkast onder de trap.

„Op een avond vond moeder ons tijdens het luchtalarm niet in onze bedjes. Mijn broer Chiel, vier jaar ouder, was wakker geworden door het luchtalarm, had mij uit bed gehaald en mij meegenomen naar de kelderkast waar moeder ons vlak daarna aantrof.”

In Haarlem werd hem op het hart gedrukt bij luchtalarm te schuilen in een portiek en dat pas bij de tweede keer waarop de sirenes klonken te verlaten. „Dat schuilen in een portiek weet ik nog goed, bij mijn weten ben ik nooit bang geweest.” Hij deed het gewoon omdat zijn moeder het had gezegd.

Van de voedseldistributie weet hij nog dat je om er zeker van te zijn dat je wat kon krijgen al heel vroeg in de rij moest gaan staan, want: op is op.

„Moeder stuurde mij soms al ruim voor de tijd dat de winkel openging. Dan stond ik in de rij en later kwam zij om mijn plekje over te nemen. Als er brood was, sneed ze daar hele dunne plakjes van, je kreeg je eigen rantsoentje. Boter werd in hele kleine blokjes gesneden en eerlijk verdeeld. Moeder maakte stroop van bietenpulp maar soms kreeg je ook wat bietenpulp op je bord. Werkelijk niet te eten, ik herinner me de lucht en de smaak nog steeds. Jaren later, toen we in Santpoort woonden liep ik naar school langs een boer. Die had naast zijn schuur een hoop bietenpulp voor zijn koeien liggen. Ik rende er altijd voorbij, bang dat ik moest overgeven.”

Met zijn broers had Siewertsens vader een grote schuur in IJmuiden. Daar verstopte hij niet alleen de radio toen die verboden was, maar zelfs zijn Ford. Onder een stapel hooibalen.

„Wij waren dan ook na de oorlog een van de eersten die weer gebruik konden maken van een auto”, zegt Siewertsen, een foto tonend van de auto met het opschrift IJmuiden Zeevis.

Vader ging regelmatig op ’hongertocht’. Hij was dan een paar dagen van huis.

„De avond van tevoren werd er uitgezocht wat er van huis meegenomen kon worden wat dan bij de boeren in de kop van Noord-Holland tegen voedsel geruild moest worden. Ik zie mijn vader en moeder nog voor de linnenkast staan om te kijken welk hemd er nog geruild kon worden. Wij hadden trouwens ook een prima ruilmiddel in huis: moeder had voor de oorlog veel lucifers gehamsterd. Ze bewaarde ze op zolder. Een vooruitziende blik. Een veel beter ruilmiddel dan het eerdergenoemde hemd.”

Kersen

Drie huizen verder woonde een NSB’er.

„Wij mochten niet met hem praten. Hij was een van de weinigen die een auto hadden. Die parkeerde hij altijd voor zijn deur. Eens liep ik er langs en zag op de achterbank een slof met kersen. Had ik nog nooit gezien. Verlekkerd stond ik er een tijd naar te kijken. Vast wel lang, want de NSB’er kwam naar buiten om te kijken wat ik aan het doen was. Toen hij zag dat ik verlangend naar zijn kersen keek gaf hij mij een handjevol. Ik zei niets, want dat mocht niet, maar ik rende naar huis. Ik vond het een geweldig aardige man.”

„Ik kan me nog één razzia goed voor de geest halen: Een groep mannen liep voorbij. Ze hadden allemaal hun handen in de nek. Er achter reed een Duitse soldaat op een fiets. Hij had een geweer op zijn rug. Een beeld dat ik nooit zal vergeten. Mijn vader was zowat vijftig. Hij was dus officieel vrijgesteld van werk in Duitsland. Maar je kon nooit weten. Eens werd er tijdens zo’n razzia bij ons aangebeld. Ik zie mijn vader nog van de trap afkomen. Daar snapte ik niets van: hij liep erg krom, zijn gebit uit zijn mond en een heel oud, versleten jasje aan. Het hielp: zulk aftands oud volk hadden ze niet nodig.”

Op transport naar land van de wolf

Ome Bert (de broer van Harry Siewertsens moeder) was op 16 april 1944 bij een razzia gevangen genomen en op transport gezet naar Duitsland. Via het Rode Kruis kreeg de familie heel af en toe een bericht. Het ging niet goed met hem, hij maakte de verschrikkelijkste dingen mee.

„Toen wij hoorden, dat ome Bert na de bevrijding ergens in Limburg was aangeland nam mijn opa het besluit zijn zoon op de fiets uit Limburg te halen. Ome Bert woonde in Beverwijk, wij in Haarlem. Ik zie ze nog bij ons aankomen voor een tussenstop: een magere man, gekleed in vodden, zittend op het voorrek van de transportfiets. Grote blijdschap bij mijn moeder, die op 9 juni, 36 dagen na de bevrijding, het volgende gedicht op papier zette:

Haarlem, 9-6-1945

Eén herinnering aan 16 april 1944

„Who ist die zweinhund”

waarvan ik 36 slapeloze nachten heb gehad ?

„Komme sie hier”, kom voor mij staan op deze ruige mat

„Sie, mensch, sté en zeg mij onoverdreven,

Waar gij het hele lange jaar toch zijt gebleven?

Hoe kwam het dan, dat gij in Mofrika belandde

„Ah, so” gij weet niets! En staat hier met een mond vol tanden?

Ga naar je plaats, en luister dan wat ik je zeggen wil

Wanneer ik een punt van de geheime sluier optil.

(Harry Siewertsen: „Ik denk, dat moeder zich bij het voorlezen van dit deel voordeed als Duitser, en ome Bert verzocht had voor haar op de mat te gaan staan. Hierna gaat zij verder met het gedicht als zuster van ome Bert.”)

Herinner jij je 16 april nog, die boterhammen met spek?

En jij je liet overrompelen door zoo’n idioot dwaze gek!

Jij geloofde trouw alle sprookjes van Moeder de Gans

Jij werd meegesleurd, tot ontvluchten geen kans.

Naar Amersfoort ontvoerd, ’t klinkt denk ik nog in je oren,

Moest daar op ’bevel’ je kop kaal geschoren

En zo op transport naar het land van de ’wolf’

Om uitgemergeld te worden op last van zwein Adolf

Jij zat gevangen, en vastgeklemd in de ’Adelaar’ zijn klauw

Waarvoor je moest zwichten, ook ter wille van je vrouw

Die dagenlang zat te wachten wanneer je terugkomen zou.

Veel is veranderd, maar ook veel is gebleven

En menig ’kameraad’ heeft ’t betaald met zijn leven

Maar, oh welk geluk mogen wij allen hier smaken

Dat je verlost bent, uit de klauwen der duivelse draken.

Vervloekt zij dat ’Herrenvolk’ de afgrond ingetrapt

Zoo menig keer zij dat ons hebben gelapt.

Weg met die schavuiten, wij hebben niets meer te vrezen

Ons ’Neerland’ is vrij, Oranje herrezen!

Ter herinnering aan je thuiskomst uit Duitsland,

Van je zus Sientje.

Lees hier alle verhalen over 75 jaar bevrijding

Meer nieuws uit Extra

Ombudsman

Ombudsmannen Durk Geertsma & Ed Brouwer springen in de bres voor de consument.