’Dit huis in Heiloo was ideaal voor onderduikers’

’Dit huis in Heiloo was ideaal voor onderduikers’
Het huis in Heiloo aan de Kennemerstraatweg (toen Rijksstraatweg).
Heiloo

Het huis van het echtpaar Josephus Jitta, waar in de oorlog elf onderduikers hebben gezeten, staat er nog steeds. Het is inmiddels een Rijksmonument: toen Rijksstraatweg 176, nu Kennemerstraatweg 41 in Heiloo. Een groot houten blokhuis aan de rand van het Heilooërbos.

„De omstandigheden waren ideaal voor een onderduikadres”, zegt dochter Sophie Josephus Jitta. „Het was een groot huis, aan de rand van het bos. Er was dus ruimte, er was geld, en als er onraad was konden de onderduikers zo het bos in glippen.”

En dat is ook echt gebeurd. De Heilooër veldwachter Klaas (er is geen achternaam bekend) kwam waarschuwen voor een inval door de politie. Alle onderduikers zijn het bos in gevlucht en keerden tegen het ochtendgloren weer terug bij Noor Leeuwenberg.

Wie was Noor Leeuwenberg? Ze werd in 1905 in een katholiek gezin in Nijmegen geboren. Na het gymnasium ging ze scheikunde studeren en in 1929 behaalde zij haar doctoraal.

Daarna ging ze werken als lerares scheikunde aan het Petrus Canisius College in Alkmaar, en na de oorlog ook op het Murmellius Gymnasium en de Avondschool voor Laboranten in Alkmaar.

Manege

Ze deed aan paardrijden bij de manege tussen Heiloo en Alkmaar en daar reed ook Frans Josephus Jitta.

„Het familieverhaal wil dat de paarden elkaar aardig vonden, maar ik vermoed dat de berijders ook wel enige sympathie voor elkaar voelden”, zegt Sophie.

Frans deed in elk geval heel veel moeite om met Noor te mogen trouwen: hij deed er, als gestudeerd man, drie jaar over om bij de paters benedictijnen in Egmond het gewenste diploma te halen waarmee hij katholiek kon worden.

In 1937 trouwden Frans en Noor en ze gingen in Heiloo wonen, aan de Rijksstraatweg. Tussen 1938 en 1941 werden drie zoontjes geboren: Adelbert, Michiel en Steef.

Hoewel hij zich helemaal niet Joods voelde, werd Frans vanwege zijn afkomst in 1941 door de Duitse bezetter tot Jood verklaard. „Het was de Tweede Wereldoorlog die van de Josephus Jitta’s weer Joden maakte”, zegt Sophie.

’Dit huis in Heiloo was ideaal voor onderduikers’
Het gezin Josephus Jitta, met van links naar rechts Michiel, Steef, Noor en Adelbert.

Scheiden

Dat had tot gevolg dat Noor en Frans in 1942 gingen scheiden omdat ze meenden dat het voor de toekomst van hun drie zoontjes beter was. Een misvatting overigens. „Dat gemengd gehuwd zijn in elk geval op papier bescherming tegen deportatie bood, was hun onbekend.”

Frans moest onderduiken; hij ging eerst naar zijn ex-schoonouderlijk huis in Nijmegen en verhuisde daarna naar de Den Texstraat in Amsterdam, bij de Weteringschans. „Dat was het huis van de moeder van publiciste Henriette Boas. Zij verhuurde kamers, voor zover ik weet alleen aan Joodse personen.”

Eind 1942 moest Frans daar weg, omdat hij met zijn activiteiten, onder andere voor het Noodfonds voor katholieke niet-ariërs, iedereen in het huis in gevaar zou brengen. Hij dook onder in Heiloo, bij zijn ex-vrouw Noor.

Daar was toen al het dertienjarige neefje Jan Carel Zadoks gearriveerd vanuit Amstelveen. „Hij ziet dit zelf niet als onderduiken, maar als logeren. Hij is na een half jaar Heiloo in Friesland bij een boer ondergedoken. Hij was blond met blauwe ogen en heeft het niet extreem moeilijk gehad. Hij is voor zover ik weet de enige Nederlands-Joodse hoogleraar met een melkdiploma.”

Verzet

Al snel daarna kwam het vijfjarige dochtertje van een Groningse arts, Kinna Klein, inwonen. Ze kwam via Noors broer, Barend, die contacten had met het verzet. „Ze had ontzettend last van heimwee en huilde de hele tijd. Ze is naar een collega-arts in Brabant gebracht en is naar Israël geëmigreerd, waar ze een paar jaar geleden overleed.”

In de winter daarop kwam het echtpaar Hugo en Carrie Elsbach, dat weg moest uit het Amsterdamse huis waar Frans ook had gezeten. Toen begin 1943 een tweede echtpaar kwam onderduiken, Jacques en Lies van Praag, ontstonden irritaties en werd het echtpaar Elsbach elders ondergebracht. Ze woonden na de oorlog in Den Haag en zijn in 1969 naar Israël geëmigreerd.

„We hebben niets meer van hen vernomen, waarover mijn moeder in haar woorden ’stierlijk het land had’. Maar in 1996 heb ik na een overlijdensadvertentie in de krant met hem contact opgenomen.”

Daarna werd de band tussen Noor en het echtpaar Elsbach alsnog zeer hartelijk. Inmiddels zijn ze alle drie overleden.

Niet dood

Het echtpaar Van Praag was via notaris Van Houwelingen uit Heemstede in Heiloo terechtgekomen. Ze vertrokken kort na de Elsbachs.

Ook Johanna Leijsen, een mevrouw Rosen Jacobson en een vrouw uit Wit-Rusland hebben korte tijd in Heiloo ondergedoken gezeten. Van hen zijn geen nadere gegevens bekend.

Begin 1944 kwam ’een zeer joods uitziende jonge vrouw naar Heiloo: Elisabeth de Leeuw-Italiaander. „’Bets’ kreeg de zorg over de drie kleine jongetjes en ze vond dat plaatsvervangend heerlijk: haar eigen zoontje was elders ondergedoken.”

Volgens Sophie wist de Heilooër kruidenier Bob Greeuw dat haar moeder onderduikers in huis had. „Hij heeft mijn moeder geholpen met extra levensmiddelen. Dat kan ook voor andere leveranciers gelden, maar dat heeft mijn moeder me niet gemeld.”

Bij een bezoek aan Greeuw liet een van de jongetjes zich ontvallen dat ’papa helemaal niet dood was’. Gevaarlijk, want Noor had dat wel verteld. „Greeuw heeft altijd gezwegen en daar zijn we hem nog steeds dankbaar voor.”

Verhuizing

Eind 1944 vorderden de Duitsers het huis in Heiloo. Officieel woonden daar uiteraard alleen Noor en haar drie zoontjes. Maar naar het nieuwe adres aan de Planetenlaan in Haarlem moesten ook Frans en Bets worden overgebracht.

„Frans vermomde zich als verhuizer, in een overall en met een grote pet op, en reed mee in de cabine van de verhuisauto en Bets werd op de trein gezet met als vermomming een emmer en een bezem.”

Beiden kwamen veilig in Haarlem aan, maar kort daarna belde een van de echte verhuizers aan.

„Hij dreigde dat als hij geen voedsel kreeg, hij zou verraden dat mevrouw Jitta een Jood verborg. Frans’ vermomming had kennelijk niet gewerkt. Nou heb je mensen aan wie je het niet ziet, maar mijn vader zag er ongelooflijk Joods uit.” Noor wees hem de deur. „Als hij eerlijk om eten was komen vragen had ik hem iets gegeven, maar niet zo, zei mijn moeder altijd.” Noor meldde het voorval bij de politie. Die kwam niet in actie. Nadat ze het aan de ondergrondse had gemeld, kreeg de verhuizer van hen ’een pak rammel’.

Verraden

In Haarlem voegde zich ook nog mevrouw Salomons bij het gezelschap via een studievriend van Frans. Zij bleef een paar maanden en later kwam ook de zus van Frans, Annie Zadoks-Josephus Jitta, wier duikadres aan de Prinsengracht 535 in Amsterdam was verraden.

Allen in het huis hebben de bevrijding in Haarlem beleefd. Noor en Frans hertrouwden in 1945 en in februari 1946 werd Sophie geboren. Haar oudere boers Adelbert, Michiel en Steef zijn allen meester in de rechten geworden.

Sophie verheerlijkt haar moeder niet, ondanks alles wat ze gedaan heeft. „Ze was geen lieve moeder.” Of haar moeder geld vroeg aan de onderduikers weet ze niet, maar zeker is dat het gezin al snel na de oorlog kleiner moest gaan wonen omdat het pensioen van vader Frans ’buitengewoon onaardig’ was. „Rijk zijn ze van de onderduikers in elk geval niet geworden.”

Lees hier alle verhalen over 75 jaar bevrijding

Meer nieuws uit Extra