Premium

’Een brandbom viel in de oorlog dwars door het dak in ons huis’ [video]

’Een brandbom viel in de oorlog dwars door het dak in ons huis’ [video]
Pieter Bal.
© Foto Peter Schat
Heemstede

Heemstedenaar Pieter Bal was vier toen de oorlog uitbrak. Ondanks dat heeft hij nog volop herinneringen aan die tijd. Hij denkt dat zijn scherpe geheugen mede te danken is aan zijn dyslexie. „Ik heb als gevolg daarvan niet zo veel met lezen en schrijven. Maar ik denk dat ik daardoor extra goed ben in het opslaan van herinneringen in mijn hoofd”, aldus de scheepswerktuigkundige in ruste.

Lees hier alle verhalen over 75 jaar bevrijding

Bal woonde bij het uitbreken van de oorlog aan de De Ruijterkade in Amsterdam, in een woning drie hoog met uitzicht op het IJ. Op de begane grond zat café West-Indië, maar met die gelegenheid had de familie Bal verder niets van doen.

Vader Bal was smid en had een smederij aan de Binnen Bantammerstraat, een zijstraatje van de Geldersekade.

’Een brandbom viel in de oorlog dwars door het dak in ons huis’ [video]
Op drie hoog woonde het gezin Bal in het pand links.
© Foto vader Pieter Bal

„In de winter van 1941 kon vader een aantal dagen niet naar zijn bedrijf omdat de omgeving door de Duitsers als ’Judenviertel’ werd bestempeld”, herinnert Bal zich.

„De wijk werd afgezet met prikkeldraad en de bruggen werden opgehaald. Ook kwamen er grote borden te staan met ’Judenviertel/Joodsche Wijk’. Maar na een paar dagen was dat weer voorbij en kon hij weer naar de smederij. De opzet van de nazi’s om in Amsterdam getto’s te creëren, was alweer mislukt. Al bleven de borden er wel nog lang staan.”

Pieter Bal was enig kind. Zijn moeder was van Duitse komaf, maar moest van de bezetter niets weten.

„Zij werd geboren in Goslar en ging als 19-jarig meisje naar Nederland. Waarom, dat weet ik eigenlijk niet. Wel weet ik dat ze de Duitse inval verafschuwde. Dat ging zo ver dat ze de hele oorlog lang uit principe geen woord Duits heeft gesproken. ’Wat doen die lui hier?’, zei ze altijd. Een Duitse officier die zich nog eens bij ons aan de deur meldde omdat hij de groeten van haar familie kwam overbrengen, werd beneden aan de deur gehouden. Ze wilde die kerel niet in huis hebben.”

Oranjegezind

Pieter Bals moeder was bij het uitbreken van de oorlog geheel vernederlandst en ook Oranjegezind.

„De hele oorlog heeft er bij ons in huis een foto van koningin Wilhelmina gehangen. Het portretje en de lijst heb ik allebei nog. De koningin was niet overduidelijk te herkennen en als iemand vroeg wie die vrouw op de foto was, zei mijn moeder altijd: ’Dat is mijn moeder’. Nee, ze sprak daar liever niet de waarheid over, omdat je niet het risico kon nemen dat je werd verlinkt.”

Bal weet ook nog dat hij als kleine jongen op familiebezoek in Goslar ging en toen daar aan de hand van zijn moeder een winkel binnenstapte, waar ze werden begroet met ’Heil Hitler’. „Maar mijn moeder verdomde het om dat te zeggen. ’Gutentag’ zei ze terug.”

Bij de smederij van vader Bal klopte de Duitse bezetter geregeld aan voor opdrachten. „Maar hij deed liever niets voor ze en waar mogelijk traineerde hij de boel”, weet de zoon nog. „Ander werk ging altijd voor. Maar werk weigeren deed hij niet. Dat was gevaarlijk en mijn vader had een mannetje of vijfentwintig in dienst en die moesten ervan eten. Die verantwoordelijkheid voelde hij natuurlijk ook.”

Fornuis

Een detail in dat verband staat Pieter Bal, die al op jonge leeftijd vaak bij zijn vader in de smederij was te vinden, nog goed bij.

„Op een gegeven moment meldde zich een Duitser die een fornuis bij hem had besteld met de vraag wanneer dat ding een keer klaar was. Vader liet hem de platen metaal zien waaruit de kachel zou worden gemaakt, maar speldde de Duitser op de mouw dat hij wel wilde maar geen kolen had om te kunnen smeden. Prompt werd twee dagen later een lading kolen bezorgd. Die heeft mijn vader verdeeld onder zijn personeel.”

’Een brandbom viel in de oorlog dwars door het dak in ons huis’ [video]
Pieter. Bal met de foto van Wilhelmina uit het ouderlijk huis.
© Foto Peter Schat

Dankzij de hulp van een Nederlandse controleur die voor de Duitsers werkte en kennelijk niet de kwaadste was, had de smederij van Bal ook in de oorlogsjaren voldoende ijzer op voorraad.

„Alles boven de tien ton werd gevorderd en toen de controleur kwam en aan vader vroeg hoeveel hij in zijn smederij had staan, antwoordde hij: tien ton. De controleur bekeek de boel, krabde eens op z’n hoofd en zei: ’Dat is dan wel een heel zware tien ton, Bal’. ’Ja man, ijzer is zwaar’, reageerde mijn vader. En hij kwam ermee weg. De man noteerde tien ton.”

Het gebrek aan kolen was in de loop van de oorlog ook goed te merken op het IJ, pal voor de woning van de familie Bal.

„Op een gegeven moment was er geen brandstof meer op de stoomponten te laten varen. Maar Amsterdam-Noord moest natuurlijk wel een verbinding hebben, want er was bijvoorbeeld geen eigen ziekenhuis aan de overkant van het IJ. Om toch een oversteek te maken, werden de ponten met boeg en achtersteven tegen elkaar aangelegd, van de ene oever naar de andere. Daar kon je dan overheen lopen. Mijn vader heeft er destijds ook foto’s van gemaakt. Die ’noodbrug’ was vanuit ons huis te zien.”

’Een brandbom viel in de oorlog dwars door het dak in ons huis’ [video]
Als oeververbinding liggen de Amsterdamse stoomponten achter elkaar op het IJ.
© Foto vader Pieter Bal

Als bewoner van de De Ruijterkade maakte Pieter Bal de bombardementen op Amsterdam-Noord van nabij mee. In de zomer van 1943 deden de geallieerden drie maal een poging de Fokker-vliegtuigfabrieken te vernietigen die waren ingeschakeld voor de Duitse oorlogsindustrie.

Bij de eerste poging, op 17 juli, misten vrijwel alle bommen het beoogde doel en kwamen terecht in omliggende woonwijken. Honderden huizen, het Sint-Rosaklooster en de Sint-Ritakerk werd getroffen.

Er vielen ruim tweehonderd doden bij dit zwaarste bombardement dat Amsterdam in de Tweede Wereldoorlog trof. Op 25 en 28 juli volgende opnieuw bombardementen die de Fokkerfabriek wel grotendeels vernietigden.

Half Amsterdam-Noord lag in puin, herinnert Pieter Bal zich.

„Mijn vader ging kijken en nam mij voor op de fiets mee. Het beeld van de Ritakerk met een gat in het dak vergeet ik nooit. Een goeie week later fietste ik met hem langs het Amsterdam-Rijnkanaal en zagen we rookpluimen uit de stad opstijgen. We zijn als de bliksem teruggefietst en toen bleek de Fokkerfabriek wel te zijn geraakt.”

Fakkel

Al eerder - in september 1940 - kwam het gevaar voor het gezin Bal heel dichtbij toen een brandbom op het huis viel.

„Ik moest nog vijf jaar worden, maar herinner het me toch. Er was paniek en mijn moeder pakte me uit mijn bedje om naar beneden te gaan. Het was een fosforbom: geen bom om schade aan te richten maar een markeerbom die als een soort fakkel op de grond de piloten die met de echte bommen kwamen hielp om zich te oriënteren. Waarschijnlijk heeft een Engelse vlieger die naar huis wilde hem op een willekeurige plek gedropt.”

Maar willekeurig of niet, de bom raakte het dak van het huis van de familie Bal. „Hij ging door het dak en vervolgens dwars door een eiken bank op zolder waarin een gat van zo’n veertig centimeter zat. Uiteindelijk belandde hij in de salon op de bovenverdieping - in onze woning dus. Mijn vader kon met een kleed en een emmer zand het vuur doven. Die emmer had hij ’voor het geval dat’ in huis staan. Ja, het was oorlog, hè.”

Mede als gevolg van deze brandbom en de mislukte bombardementen op Fokker, had vader Bal geen al te hoge pet op van de Engelsen.

„’Die stomme Engelsen’, zei hij altijd. Toen er later van Engelse zijde berichten kwamen over kampen in het oosten waar mensen werden vergast, geloofde mijn vader dat aanvankelijk niet. Hij deed het af als propaganda. Maar het wás natuurlijk ook onvoorstelbaar wat daar gebeurde.”

(tekst gaat verder onder de foto’s)

’Een brandbom viel in de oorlog dwars door het dak in ons huis’ [video]
Duits geschut op transport over De Ruijterkade.
© Foto vader Pieter Bal
’Een brandbom viel in de oorlog dwars door het dak in ons huis’ [video]
Gevolgd door een auto met onderdelen van mijnenvegers.
© Foto vader Pieter Bal

Pieter Bal kan zich niet herinneren dat hij in de oorlog honger heeft geleden.

„Maar ik was een kleine eter, misschien dat dat scheelde. Ook profiteerden we van de plek van ons huis, aan het IJ. Zo lag er pal voor ons een boot van een schipper die een veerdienst onderhield tussen Amsterdam en Helmond. Ik herinner me dat die man lege vaten meenam waarin vaak nog stroopresten zaten. Hij zette dan die vaten op de stoomketel waardoor de stroop werd verwarmd en het eruit kon worden gehaald. Wij kenden die lui en kregen daar regelmatig van. En ook viste die schipper, al was dat verboden, onderweg op zoetwatervis. Het was goed te eten alleen zaten er gruwelijk veel graten in.”

Suikerbieten waar stroop van werd gemaakt en koekjes van de pulp, heeft Pieter Bal ook moeten eten. „En uit gerst en raapolie werd een soort kunstpindakaas gemaakt. Ook weet ik nog goed dat in de Hongerwinter de Kriegsmarine dunne plakken Duits brood stond uit te delen voor ons huis. Heerlijk was dat.”

Dat zelfs in de oorlog principes het soms nog wonnen van de honger, ondervond Bal ook.

„Ja, dat is een wonderlijk verhaal. Mede omdat er geen kolen meer waren om de boel te verwarmen, werd de school waarop ik zat gesloten. Mijn ouders regelden toen dat een van de onderwijzeressen bij ons thuis les gaf aan een klein clubje kinderen. Want dankzij de smederij hadden wij wel kolen. Mijn moeder maakte op een gegeven moment een pan soep voor alle kinderen. Iedereen smulde er natuurlijk gretig van, behalve de onderwijzeres. Wat denk je: die ouwe taart was vegetariër en verdomde het ervan te eten. Werkelijk niet te geloven in die tijd.”

’Een brandbom viel in de oorlog dwars door het dak in ons huis’ [video]
Na de bevrijding marcheren Canadezen over de kade langs het huis.
© Foto vader Pieter Bal
’Een brandbom viel in de oorlog dwars door het dak in ons huis’ [video]
Canadezen op De Ruijterkade na de bevrijding.
© Foto vader Pieter Bal

Meer nieuws uit Extra

Ombudsman

Ombudsmannen Durk Geertsma & Ed Brouwer springen in de bres voor de consument.