Premium

Van thuisisolatie tot anderhalvemeterpolitie: bij de schok van de coronacrisis komen heel wat nieuwe woorden vrij

Van thuisisolatie tot anderhalvemeterpolitie: bij de schok van de coronacrisis komen heel wat nieuwe woorden vrij
Vivien Waszink.Het mooiste nieuwe woord tot nu toe vindt ze wel ’hoestdab’, voor ’in je elleboog hoesten’.
© Foto Hielco Kuipers

Voor een taalkundige als Vivien Waszink is de coronapandemie een fascinerende tijd. De behoefte aan nieuwe woorden is groot, nu nieuwe, onbekende verschijnselen dringend vragen om benoemd te worden. „Het maken van neologismen, nieuwe woorden, is geen spel”, zegt ze. ,,Woorden als anderhalvemeterpolitie en kuchschotje worden nu echt gebruikt, al vraag ik me af of ze uiteindelijk in een woordenboek belanden.”

Nieuwe woorden ontstaan volgens Waszink (43) op gebieden waar de realiteit snel verandert. Een bekend voorbeeld daarvan is de modewereld, waar trends elkaar snel opvolgen en waar dus voortdurend nieuwe woorden nodig zijn. Maar de coronacrisis schokt de hele samenleving, en bij die schokgolf komen heel wat nieuwe woorden vrij. Na het ’coronahamsteren’ zitten we in ’thuisisolatie’ tussen de rollen wc-papier en hebben velen van ons door het ’afstandsonderwijs’ vast flink last van ’thuisisolatie-irritatie’.

Het mooiste nieuwe woord tot nu toe vindt Waszink wel ’hoestdab’, voor ’in je elleboog hoesten’. Ze vond het op een jongerenwebsite en ook andere sites namen het over. „Dabben is een dansstijl, waarbij de danser het hoofd laat zakken terwijl hij zijn arm en elleboog omhoog werpt. De beweging lijkt van zichzelf al een beetje op niezen.”

Woordenschat

De in Leiden geboren en getogen Waszink is lexicograaf. Dat is een taalonderzoeker die, zoals ze zelf zegt, als taak heeft ’de woordenschat te beschrijven’. Dat doet zij bij het Instituut voor de Nederlandse Taal (INT), dat gevestigd is in het Snouck Hurgronjehuis aan het Rapenburg. Ze werkt mee aan het actueel houden van het Algemeen Nederlands Woordenboek (ANW) en werkt ook aan een neologismenwoordenboek.

Haar belangstelling gaat specifiek uit naar jongeren-, straat- en hiphoptaal, waarover ze ook regelmatig lezingen geeft - zij het ’nu even niet. Nu zit ik lekker thuis te werken’. Eén van haar activiteiten is het kiezen van het ’neologisme van de week’, waarover zij wekelijks, in afwisseling met haar collega Rob Tempelaars, een bericht maakt voor de website van het INT. Ook het Leidsch Dagblad gaat het neologisme wekelijks op dinsdag publiceren.

Samenstelling

Een neologisme is meestal een samenstelling van twee al bestaande woorden. Dat garandeert dat taalgebruikers het nieuwe woord snel begrijpen. Een woord dat ’lekker bekt’ maakt de meeste kans om te worden opgenomen in de taal van alledag. Een alliteratie als ’coronacurve’ (een grafiek waarbij de stand van het aantal nieuwe ziekte- en sterfgevallen en ziekenhuisopnames wordt bijgehouden) voldoet aan die voorwaarde.

Schaamte

Samenstellingen met -schaamte doen het op dit moment in het Nederlands ook goed; kennelijk ervaren we veel om ons over te schamen. Waszink noemt hoest- en niesschaamte als nieuwe schaamtewoorden. Al wat ouder zijn het bekende ’vliegschaamte’ (gedefinieerd als ’schaamte die iemand ervaart als hij of zij gebruikmaakt van een vliegtuig terwijl er minder milieubelastende alternatieven zijn om zich te verplaatsen’). Andere voorbeelden zijn ’stookschaamte’ (voor eigenaars van houtkachels en open haarden), ’skischaamte’ (voor skiërs die inzien hoe slecht skiën is voor de natuur) en ’vleesschaamte’ (schaamte die vleesliefhebbers ervaren bij het nuttigen van vlees). Waszink werkt op dit moment aan een populairwetenschappelijk boek over nieuwe woorden dat begin september uit moet komen. Ook de schaamtewoorden worden hierin uitgebreid behandeld.

Nieuwe woorden die geen al bekende woorden bevatten, komen bijna niet voor. Een nonsensewoord als ’gnurp’ bijvoorbeeld is wel gemakkelijk te bedenken, maar vindt toch zo goed als niet ingang in de taal. „Het probleem hiermee is, dat zulk soort woorden niets oproepen. De taalgebruikers begrijpen niet wat ze betekenen, waardoor ze in de praktijk de conversatie vooral hinderen. Ik ken maar één voorbeeld van zo’n verzonnen woord dat wel in de spreektaal is opgenomen - ’blurb’ als omslagtekst op de achterkant van een boek, maar de meningen verschillen erover of dat wel daadwerkelijk een willekeurig gevormd woord is.”

Slim

Wat wel vaak voorkomt, is dat bestaande woorden er een nieuwe betekenis bij krijgen. Zo kunnen aloude woorden opeens weer neologismen worden. Waszink geeft ’slim’ als voorbeeld van zo’n woord. Iemand die slim is, heeft een snelle geest en komt met ideeën en oplossingen waar een ander niet aan denkt. Bij uitbreiding zijn nu ook apparaten ’slim’ doordat ze verbonden zijn met internet: een slimme kattenbak (die laat weten wanneer hij verschoond wil worden), een slimme koelkast (die zelf boodschappen bestelt).

Leenwoorden

Het Nederlands is niet ’neologistischer’ dan andere talen. De behoefte aan nieuwe woorden ontstaat als wij een nieuwe realiteit ervaren, waarin verschijnselen zich voordoen die om woorden vragen. Dat is in alle talen zo. Wel, zegt Waszink, zijn niet alle neologismen in het Nederlands ’per se nodig’, zoals veel Engelse leenwoorden waarvoor het Nederlands een prima equivalent heeft. ’Cereals’ voor ontbijtgranen of ’sale’ voor uitverkoop - iedereen kent daar wel voorbeelden van.

Toch zijn veel Engelse woorden echt ingeburgerd in het Nederlands, zegt Waszink. Pogingen om daar wat aan te doen, krijgen al gauw iets ’krampachtigs’. „High five en touch screen zijn de normale woorden in ons dagelijks taalgebruik en niet juichklap en aanraakscherm.” Als de overheidsmaatregelen tegen het coronavirus niet blijken te werken, gaat Nederland straks toch echt in een ’lockdown’, en niet op ’snotslot’.

(Kader)

Coronahufters en covidioten

Een samenstelling met ’corona-’, daar kon Rob Tempelaars van het INT, die afgelopen week het ’Neologisme van de week’ uitkoos, niet omheen. Ziin oog viel op het woord ’coronahufter’ - dat is ’iemand die zich ten tijde van de corona-uitbraak asociaal gedraagt door zich bewust niet aan de door de overheid opgelegde maatregelen te houden’.

Coronahufters, schrijft Tempelaars op de website van het INT, zijn er ook in Engeland. Daar heten ze ’covidiots’, een mooi Engels neologisme dat is afgeleid van de naam van het virus, Covid-19. In het Nederlands is dat ook alweer vertaald, als ’covidioten’. „Je hebt ze in alle soorten en maten. Mensen die zich in supermarkten niet willen houden aan de voorgeschreven anderhalve meter afstand, types die agressief reageren als zij erop gewezen worden dat zij afstand moeten nemen.”

Een aparte categorie hufters, schrijft Tempelaars, „vormen aso’s die anderen dreigen te besmetten, de zogeheten coronadreigers. De eersten daarvan zijn al beboet en/of berecht, zoals de coronaspuger, de coronahoester en de coronakucher.”

Vaste voet

Dan zijn er de coronaontkenners, en lieden die elkaar besmetten tijdens coronafeestjes. Ook zij mogen onder de coronahufters worden geschaard. Het woord heeft inmiddels als samenstelling een plekje gekregen in het artikel ’corona’ in het Algemeen Nederlands Woordenboek, met veertig andere woorden. ,,Ook Wikipedia meldt het woord al in het artikel ’Coronacrisis in Nederland’.’’

Het is al voor de derde keer dat Waszink en Tempelaars een corona-gerelateerd woord kiezen als neologisme van de week. Vorige week was dat ’hoestdab’ (zie het hoofdverhaal op deze pagina) en de week daarvoor ’coronakabinet’.

In februari leefde de pandemie nog niet zo in de taal. Opmerkelijke nieuwe woorden waren toen onder meer: taalmakelaar (door de gemeente aangestelde functionaris die laaggeletterden in contact brengt met instanties die kunnen helpen hun Nederlands te verbeteren) en ’het witte balkje’ (Wit balkje dat op een foto over de ogen en de naam van een slachtoffer van een misdrijf geplaatst wordt om deze onherkenbaar te maken en zodoende diens privacy te waarborgen. Het witte balkje is de tegenhanger van het zwarte balkje bij verdachten).

Meer nieuws uit Leiden

Ombudsman

Ombudsmannen Durk Geertsma & Ed Brouwer springen in de bres voor de consument.