Premium

Leidenaar Daan de Jong overleefde als twaalfjarige concentratiekamp Theresienstadt: ’Ik ben vier jaar doodsbang geweest’

Leidenaar Daan de Jong overleefde als twaalfjarige concentratiekamp Theresienstadt: ’Ik ben vier jaar doodsbang geweest’
Leidenaar Daan de Jong, overlevende van Theresienstadt: „Er gaat geen dag voorbij dat ik niet aan die jaren in Westerbork en Theresienstadt denk.’’
© Foto Hielco Kuipers
Leiden

Hij overleefde als tienjarig jongetje concentratiekamp Theresienstadt. Deze week is het 75 jaar geleden dat de Russen hem en zijn familie bevrijdden. Voor Leidenaar Daan de Jong (86) voelt dat als de dag van gisteren. Die ervaringen zouden zijn leven bepalen. ’Ik ben bij elkaar vier jaar doodsbang geweest’.

Joods? Wij?

„Mijn voorvaderen zijn Joden van Portugese afkomst, maar onze familie was totaal geassimileerd. Mijn ouders waren atheïstisch, zo ver was het al weg. Het woord ’Jood’ kwam tot 1940 niet eens bij ons thuis voor. Als kind wist ik niet eens dat ik het was.

Toen de oorlog uitbrak, zagen we de parachutisten landen op Ypenburg. Mijn vader liep met mijn zusje en mij naar school, onderweg schuilend van boom naar boom. De school bleek gesloten. Daar snapte mijn vader niets van. Kun je nagaan hoe naïef er nog werd gedacht.

Vader vond in die eerste oorlogsdagen dat hij mijn zus en mij toch van die afkomst moest vertellen. Hij riep eerst mijn zusje naar binnen, vertelde het haar en zei: roep nou je broertje maar. Ik was in de tuin aan het spelen. Mijn zusje rende op me af en zei: ’Rotjood, m’n tuin uit’. Ik keek haar verbijsterd aan.”

Vluchten kan niet meer

„Mijn ouders dachten aanvankelijk vrijgesteld te zijn van deportatie, omdat mijn vader viceconsul was van Portugal. Het ging goed tot 1943. Toen kwam de beruchte SS’er Franz Fischer samen met Fräulein Slottker, de secretaresse van Seyss-Inquart, op het consulaat.

Wat bleek? Mijn vader had kans gezien om belangrijke stempels, die werden gebruikt bij het verstrekken van visa, op te sturen naar Portugal, om te voorkomen dat ze in Duitse handen zouden vallen. Fischer was daar zo boos over dat hij mijn vader naar zijn paspoort vroeg.

Toen hij daarin de J van Joods zag staan, verordonneerde hij dat onze familie als een zogeheten strafgeval naar Westerbork gestuurd moesten worden. Als strafgeval werd je vanuit dat doorgangskamp meteen gedeporteerd naar een van de concentratiekampen, een zekere dood tegemoet.”

Cleveringa was daar

„We waren amper in Westerbork aangekomen of de werkgever van mijn vader wist ons voor 200.000 gulden vrij te kopen. Een smak geld, toen zeker. We stonden weer op straat. Maar waar moesten we heen? Ons oude huis was door de Duitsers gevorderd.

Relaties wisten ons op de zogeheten Barneveld-lijst te zetten. Een aantal vooraanstaande Joden, zoals wetenschappers, doctoren, kunstenaars en industriëlen, was vanwege hun belang voor Nederland van een zekere deportatie uitgesloten en woonde in een kasteel, De Schaffelaar, in Barneveld.

Daar kwamen we terecht in een gezelschap met vele bekende Joodse Nederlanders, zoals Rosa Spier, de bekende violist Sam Swaap en de beroemde professor Meijers (wiens ontslag aan de Universiteit Leiden in de oorlog voor zijn promotor, Rudolph Cleveringa, reden was om zijn beroemde protestrede uit te spreken, red.).

Tekenend voor het moreel en optimisme was dat zowel in Barneveld, Westerbork als later in Theresienstadt een aantal Joden al bezig was om onderwijs op poten te zetten. Het leven moest doorgaan.”

Toch deporatie

„Daar in Barneveld vierde ik mijn tiende verjaardag. Ik werd door een gezelschap van professoren en generaals toegezongen. De volgende ochtend werden we op transport naar Westerbork gesteld, 29 september 1943. Die deportatie kwam als een dief in de nacht. Geschrokken? Je was inmiddels wel wat gewend. We leefden in een constante dreiging.

Bijna een jaar hebben we als Barneveld-groep bij elkaar in Westerbork gezeten. De kampcommandant, Gemmeker, had vreselijk de pest aan ons, omdat wij zogenaamd niet op transport naar een concentratiekamp gesteld mochten worden. Dat gebeurde op 4 september 1944 toch.

Of ik me al die tijd veilig heb gevoeld in Westerbork? Veilig waren we al jaren niet meer. Elke week was er weer die spanning, als de lijsten van de mensen werden voorgelezen die de volgende ochtend met de trein op deporatie moesten. Tot we zelf aan de beurt waren. Het was ons een raadsel waar we naar toe gingen, dat kreeg je niet te horen.

We werden in vee- of goederenwagons vervoerd en stonden daar met 75 man opeengepakt. In de hoek stond een ton om je behoefte in te doen. De trein reed twee lange dagen en nachten door. Een van de mannen zei nog: ’Als we een tussenstop maken, laten we dan zeggen dat we al vol zitten en er niemand meer bij kan’. Van die galgenhumor.”

Smeltende ogen

„Als jongen van boven de tien jaar werd je tewerkgesteld bij de zogeheten Jugendhundertschaft. We moesten allerlei sjouwwerk uitvoeren voor de Duitsers. Te eten kreeg je amper. Ik had altijd honger. Het gebrek aan eten heeft grote gevolgen gehad voor mijn lichamelijk welzijn. Door het enorme kalkgebrek vielen mijn tanden er zó uit. Ik heb dus praktisch mijn hele leven al een kunstgebit.

En dan waren er de wandluizen die je ’s nachts uit je slaap hielden. Vreselijk. Je bleef maar krabben. Bovendien veroorzaakten ze besmettelijke vlektyfus.

Er gebeurden opmerkelijke dingen in het kamp. Zo was er een vrouw van bijna 100, die kanker had. Toen ze werd bevrijd, was de kanker verdwenen. Klaarblijkelijk waren zelfs de kankercellen vernietigd door het gebrek aan eten.”

Blikje sardientjes

„U weet misschien dat de Duitsers Theresienstadt gebruikten als ’modelkamp’ om de buitenwereld te laten zien dat het leven in zo’n kamp echt wel meeviel. Het Rode Kruis kwam een keer inspecteren. Er werd een hele poppenkast voor opgevoerd. Wij kinderen kregen allemaal een blikje sardientjes.

Daar moesten we voor die afvaardiging van het Rode Kruis mee paraderen en voor hun ogen het gebouw rondlopen. De kampcommandant, Rahm, deelde ze hoogstpersoonlijk uit. Aan de achterkant stond een SS’er klaar om de ongeopende blikjes weer in ontvangst te nemen. Overigens heeft Rahm zich, direct na het beëindigen van de oorlog, opgehangen.”

Vier jaar doodsangst

„Theresienstadt was een tussenstation, een concentratiekamp van waaruit de meeste bewoners werden afgevoerd naar een vernietigingskamp als Auschwitz. Wekelijks gingen er transporten naartoe. Je wist nooit of en zo ja wanneer je zelf aan de beurt zou zijn.

Of we in doodsangst leefden? Jazeker. Maar je leefde daar op het moment niet eens meer zo mee. Ik ben bij elkaar wel vier jaar doodsbang geweest. Die angst, dat gevoel, is niet uit te leggen. De Duitsers vermoordden willekeurig waar ze zin in hadden.”

Bizarre dodentallen

,,Al was Theresienstadt zogenaamd geen vernietigingskamp, van de 140.000 gevangenen zijn er 33.000 omgekomen. En van de 15.000 kinderen zijn er slechts 1000 in leven gebleven.

De doden werden gecremeerd. Wij, de jongens van de Jugendhundertschaft, hadden als taak om de dozen met de asresten op te ruimen. Dat deden we in een keten. We gaven elkaar de dozen door en de laatste in de keten stortte ze in een zijrivier van de Elbe. De Duitsers wilden de stoffelijke resten op het laatst, vlak voor de bevrijding van het kamp, in brand steken om zo de sporen uit te wissen. Ze dachten ermee weg te komen als er maar geen lijken gevonden zouden worden. Tevergeefs.

We hadden een morbide soort humor ontwikkeld. Bij het doorgeven van de dozen werd regelmatig naar elkaar geroepen: ’Hier komt je moeder’, ’Hier is je vader’ enzovoort.”

Net op tijd bevrijd

„We zijn op 8 mei 1945 bevrijd door de Russen, het Rode Leger. Net op tijd. De Duitsers hadden zo vlak na de capitulatie nog één SS-divisie, die bij Praag stond en nog één opdracht had: de Joden van Theresienstadt ombrengen, de getuigen het zwijgen opleggen.

De Duitsers waren er vlak voor de Russen. Nou had Theresienstadt als oud vestingstadje hele dikke muren, en wij overlevenden waren gevlucht naar een ruimte waarvan we dachten dat de muren daar te dik waren om granaten door te laten. Laat dat nou de enige ruimte zijn waarop granaten vielen? Gelukkig wisten de Russen de Duitsers op tijd weg te jagen.

Het waren vreselijk aardige kerels, die Russen. We kregen direct eten uit hun eigen veldkeukens. Mijn zusje reed zelfs nog achterop een motorfiets met een Rus mee. Mijn vader in alle staten. Maar ze kwam keurig en ongeschonden terug.”

Op weg naar huis

„We reden terug naar Nederland, weer in goederenwagons, maar nu waren de deuren open. Het was prachtig zacht weer en we verbaasden ons erover dat we in Sudetenland door dorpen reden die verstild leken te zijn. Alsof er geen oorlog had gewoed. Waanzinnig.

Bij aankomst in Maastricht werden we feestelijk onthaald – in tegenstelling tot wat je vaak hoort. Op het perron stond een politiekorps te spelen. Van daaruit zijn we teruggegaan naar onze woonplaats Den Haag. Ons huis was niet meer beschikbaar, maar we konden een soortgelijk huis huren. Daarin had nota bene Fräulein Slottker, de secretaresse van Seyss-Inquart, gewoond. ’n Krankzinnig idee.”

Oorlog bepaalt leven (1)

„De oorlogsjaren hebben de rest van mijn leven bepaald. Ik wilde in 1945 bijvoorbeeld per se naar de Zeevaartschool, overtuigd als ik was dat zoiets als de Tweede Wereldoorlog weer zou gebeuren. Met die opleiding kon ik, als zoiets zou dreigen, meteen op een schip stappen, richting Australië. Ik heb ook een tijd gevaren, maar het bleek niets voor mij. Onderweg heb je niets te doen en in de haven moet je werken.”

Oorlog bepaalt leven (2)

„Ze zeggen weleens dat iedere Jood op zolder een gevuld koffertje heeft klaarstaan, zodat hij zó kan vluchten. Dat gevoel raak je nooit meer kwijt. Ik heb geen neiging tot depressieve gevoelens – ik vind het leven erg de moeite waard en geniet van mijn kinderen en kleinkinderen – maar er gaat geen dag voorbij dat ik niét aan die jaren in Westerbork en Theresienstadt denk. Dat gaat constant door.

Ik dwing mezelf ’s nachts aan andere dingen te denken, anders zou ik ervan wakker blijven liggen. Zoiets blijf je de rest van je leven bij je dragen. Maar ik ben natuurlijk niet de enige. Miljoenen mensen zijn beschadigd en dragen iets bij zich. Ook mijn eigen moeder kon ons geen liefde meer geven na de oorlog. Die was op.

En denk eens aan vluchtelingen, overal ter wereld? Het houdt niet op.”

Lees ook: Carla Josephus Jitta overleefde concentratiekamp Theresienstadt: ’Het heeft jaren geduurd voordat ik hoorde dat mijn ouders dood waren. Ze zijn vergast’

Paspoort Daan de Jong

Leeftijd: 86 jaar

Woonplaats: Leiden

Opleiding: Zeevaartschool

Beroep: gepensioneerd, voorheen o.m. zelfstandig ondernemer, eigenaar acht winkels in woninginrichting in de Leidse regio

Burgerlijke staat: weduwnaar, een zoon, een dochter, vier kleinkinderen

Lees hier alle verhalen over 75 jaar bevrijding

Meer nieuws uit Leiden

Ombudsman

Ombudsmannen Durk Geertsma & Ed Brouwer springen in de bres voor de consument.