IJzersterke hypothese Leertouwer met de Nieuwe Philmarmonie

Johannes Leertouwer.
© Archieffoto
Leiden

‘Stadsgehoorzaal en Leids Universiteit Fonds zijn aandeelhouders van dit project!’ Woorden van dankbaarheid van een bevlogen dirigent, die in vier jaar tijds zijn PhD wil halen op het fenomeen Brahms. Leertouwer wil zijn naamgenoot ’Johannes’ doen herleven, hem plaatsen in eigen tijd en context.

Daar is veel bronnen-bodemonderzoek voor nodig; opnameapparatuur bestond nog niet. Leertouwer doet minutieus graafwerk, bezit een meesterlijk gevoel voor communicatie met zijn orkest. ’De Nieuwe Philharmonie als laboratorium’, dat onderzoekt en experimenteert. Wat gebeurt er met klankvorming tussen noten in? Is tempowisseling mogelijk waar het niet expliciet wordt aangegeven; hoe klonken 19e eeuwse instrumenten, toeters, strijkers; en hoe stonden de instrumenten opgesteld?

Dat laatste blijkt een lust voor het oog. Alle blazers staan op een verhoging. Daarvoor, lager, een rij cellisten, aan beide zijden geflankeerd door twee contrabassen. Op de voorgrond participeren de andere strijkers; in Brahms’ Dubbelconcert met twee solisten, cellist Pieter Wispelwey en violist Shunske Sato.

Lyrisch, bitterzoet lijnenspel combineert Brahms in het eerste deel met zijn typisch hortende, hoekige ritmes, na de exploderende beginfrase. Spannend hoe viool en cello het opvallend veelkleurig orkest schijnen te interrumperen, in andere delen juist opgaan in het geheel van klank, kleur, adequate tempowisselingen, als één levendige groepsconversatie.

Zelden zijn blazers zó prominent aanwezig; ’rinkelende’ fluiten, strakke hobo’s, fluwelen fagotten die voortdurend meezingen. Mét de zonnig opzwepende, vibratie-loze strijkers opent het orkest zijn muzikale muil.

Wispelwey en Sato komen tot elkaar in een bewegelijk rekkende dialoog, wisselend van sfeer, afwerend, bevlogen, vol kracht, in verbinding met het orkest.

In het middendeel zwoele, welhaast sensuele cello’s, die zich vol lucht zuigen en organisch uitvloeien. Waar blazers als in een koraal van zich laten horen, met name fluit, hobo en fagot ieder in eigen timbre en kracht.

Deel drie begint in een uit zijn voegen barstende vrolijkheid, die zich met souplesse weer intoomt. Solisten bedden zich in de geweldige orkestklank, met helse strijkers, en pauken fier roffelend naar een spectaculair kleurrijk slot.

In de vierdelige Tweede Symfonie ’gebeurt méér dan op papier staat.’ Die wisselend weemoedig zoemende klank van de natuurhoorns, de plechtige somberheid in trombones en tuba, het donzige gepluk van de strijkers, hun zwierig lijnenspel, omrankt door fluit en hobo, ploffende trompet; het kleurt alles beeldschoon iets buiten de lijntjes!. In deel twee waart door de strijkers een wind die alomtegenwoordig is. Het uitzinnige staartje ontrolt zich als een panorama waarin voorgaand materiaal wordt aangestipt, als de kop van het eerste thema, gesyncopeerde ritmes, vérstrekkend helder, overdonderend nieuw!

Leertouwers ijzersterke hypothese…… tot…. het tegendeel blijkt?

Meer nieuws uit Leiden

Ombudsman

Ombudsmannen Durk Geertsma & Ed Brouwer springen in de bres voor de consument.