Het 17de-eeuwse Hollands van Johan de Witt is ’heel herkenbaar’ voor moderne Nederlandse oren [video]

Johan de Witt omstreeks 1670.
© Afbeelding Abraham van Kalraet
Leiden

Op zaterdag 14 oktober 1645 vertrokken Johan (21) en Cornelis (23) de Witt ’naer den middach ten 3 ure’ vanuit Dordrecht voor een ’grand tour’. De reis zou ze in twee jaar tijd naar steden als Parijs, Bordeaux, Genève, Marseille, Londen, Oxford en Bristol brengen, maar de eerste dag kwamen ze niet ver. Ze overnachtten ’op Den Tol int Spuye’, op ruim 18 kilometer van de stadsgrens (vier Hollandse mijl).

Raadspensionaris Johan de Witt (1625-1672) schreef veel. Bijna alles daarvan is bewaard gebleven. Historicus Ineke Huysman van het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis in Amsterdam laat zijn correspondentie digitaliseren en ontsluiten via een database.

De Witt schrijft mooi en ingewikkeld. Hij rijgt de ene driedubbele nevenschikkende bijzin aan de andere, zoals dat hoort voor een humanistisch geschoolde jongeman uit de elite van zijn tijd. Huysman vroeg zich bij lezing dagelijks af: zou hij hebben gesproken zoals hij schrijft? Ze vroeg de Leidse historisch taalkundige Peter-Alexander Kerkhof om haar te helpen daar een indruk van te krijgen.

Regels

Taal ontwikkelt zich volgens vaste regels. Het is volgens Kerkhof goed mogelijk om een indruk te krijgen van hoe Hollanders in de 17de eeuw moeten hebben gesproken. Er zijn bovendien drie grammaticaboeken, uit 1584, 1683 en 1723, die uitspraakregels geven.

Veel van die kennis, zegt Kerkhof, ’vindt nauwelijks zijn weg naar het grote publiek’. Dat vindt hij jammer en daarom treedt hij bijvoorbeeld graag op in het radioprograma ’De Taalstaat’ van Frits Spits. Toen Huysman hem vroeg voor een podcast en een Youtubefilmpje over het Nederlands van Johan de Witt, zei hij dan ook geen nee.

Kerkhof ging op zoek naar tekstfragmenten van De Witt waarvan hij verwachtte dat zij dicht bij zijn dagelijkse taalgebruik staan. Hij kwam uit bij het reisjournaal dat De Witt als jongeman bijhield tijdens zijn grand tour. Elke dag noteerde hij daarin kort waar hij was, wat hij had gedaan en gezien, met wie hij had gesproken en, als hij op reis was, welke afstand hij had afgelegd.

Veel tijd om over zijn stijl na te denken had hij niet. De kans lijkt groot dat hij in dat soort korte aantekeningen schreef zoals hij sprak. Dat zegt op zich niets over uitspraak, maar Kerkhof denkt dat hij daarvan, terugredenerend, een goede indruk kan geven.

(Tekst loopt door onder filmpje)

Kerkhof vindt het 17de-eeuwse Hollands van De Witt ’heel herkenbaar’ voor moderne Nederlandse oren. Een verschil zit hem bijvoorbeeld in de ’w’, die de Surinaamse en Afrikaanse uitspraak van nu volgde, en die dus klonk als ’oewee’. De Hollanders van destijds maakten ook nog een sterk verschil tussen de ’ij’ en de ’ei’. De ’ij’ klonk als ’i’ in ’pit’ en ’ei’ klonk als ’ai’. ,,Je denkt: het is een dialect dat ik niet ken, maar je kan het toch wel begrijpen.’’

Gelowepen

Verschillen zitten ook in de uitspraak van klinkers. Er bestonden twee uitspraken van de lange ’oo’; één die overeenkwam met onze o-klank, als in ’komen’, en een ’ow’-klank, die tot uiting kwam in een woord als ’gelopen’. Dat klonk in de 17de eeuw als ’gelowepen’.

Iets vergelijkbaars is aan de hand met de klinkers ’ee’ en ’aa’. De ’aa’ in een woord als ’aldaar’, (destijds geschreven als ’aldaer’), klonk als de ’a in het moderne Engelse woord ’bad’. Dichter Joost van den Vondel liet ’Jupiter’ rijmen op ’star’ (in de betekenis van stijf), wat erop duidt dat de ’a’ in dat woord zweemde in de richting van ’è’.

Eerder dit jaar publiceerden Ineke Huysman en Roosje Peeters ’Johan de Witt in Frankrijk, een bloemlezing uit zijn correspondentie’, met tekeningen van Jean-Marc van Tol. Hierin komt ook het reisjournaal aan de orde. Uitg. Catullus, Soest. ISBN 978949 240 9539 Prijs 24,95 euro.

Meer nieuws uit Leiden

Ombudsman

Ombudsmannen Durk Geertsma & Ed Brouwer springen in de bres voor de consument.