René Diekstra durft de vrouw in het park niet naar haar naam te vragen. Hoe lost hij dat op? | column

René Diekstra

Meerdere keren in de week kom ik hem tegen op mijn late avondwandeling door de wijk. Hij hond aan de lijn, ik loslopend. We groeten elkaar steevast met ’goedenavond’ en vervolgen zonder verder enige toevoeging onze weg. Zo gaat het al jaren en het voelt ook al jaren goed zo.

Alsof we door enkel die éénwoordige begroeting al aan elkaar bevestigen dat we hier horen en elkaar respecteren. Onbekenden die elkaar toch niet als vreemden ervaren. Er zijn meer mensen in de buurt waarmee het ongeveer zo gaat. En ja, een goede buurt of wijk bestaat, naast uitgebreidere contacten tussen sommigen, ook bij de gratie van dit soort minimale positieve uitwisselingen tussen anderen. Zonder zouden we vermijders van en daarmee vreemden voor elkaar blijven. Bovendien, hoe minimaal de verbinding soms ook is, daarin ingevouwen sluimert niettemin potentie tot meer contact indien ooit nodig of welkom.

Enige tijd geleden werd een huis verderop in mijn straat door een nieuw gezin betrokken. Een tijdlang was mij niet geheel duidelijk wie daar toe behoorden. Op een dag, wandelend door het park in de buurt, zag ik een vrouw aankomen waarvan ik het idee had dat ze weleens de moeder kon zijn en we elkaar ooit op afstand gegroet hadden. Op het punt elkaar opnieuw zo te passeren, besloot ik het erop te wagen. „Mag ik je wat vragen? Kan het zijn dat wij onlangs buren zijn geworden?” Waarop ik haastig uitlegde waar ik woon en welk huis ik dacht dat mogelijk het hare is. Als bij toverslag veranderde haar uitstraling en kwam een geanimeerd gesprek op gang. Maar toen we ieder onze weg wilden vervolgen, was ze voor mij toch nog altijd naamloos.

Ik had het wel overwogen, maar niet durven vragen hoe ze heette. „Ik ben René” riep ik haar daarom achterna. „En ik ben Marjolein!”, riep ze luidkeels sympathiek terug. Sindsdien, als ik haar in de verte zie of tegenkom, zie ik geen vreemde meer. Van naamloos is ze een kennis, figuurlijk en letterlijk, geworden en de enkele keer dat we elkaar nu tegen komen, spreek ik haar met naam en zonder enige ’vreemdelingen’spanning aan.

En inderdaad blijkt uit een reeks van studies dat groeten van of praten, hoe minimaal ook, met ’vreemden’ uit onze omgeving, ons meer ontspannen, verbonden, veiliger, vertrouwensvoller en gelukkiger doet voelen. Maar als dat een vastgesteld feit is, waarom doen mensen dat dan niet veel vaker? De antwoorden op die vraag zijn nogal ontnuchterend. Velen van ons hebben de neiging vreemden in eerste instantie als obstakels te zien, waar je maar beter zoveel mogelijk afstand van houdt. Die neiging is door corona nog eens versterkt.

En dan heerst er ook nog die andere pandemie, die van de smartphone, waardoor we op straat steeds minder oog en oor voor elkaar hebben. Over groetgebrekkige samenleving gesproken! Ik overweeg daarom in mijn wijk hier en daar borden geplaatst te krijgen met deze tekst: ’Groet! Niet omdat het moet, maar omdat het zoveel doet.’

Reageren? diekstra.rene@gmail.com

Meer nieuws uit Opinie-Column

Net Binnen

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.