Kamperen, een uiting van extreme decadentie | column

Nhung Dam

Er was geen televisie, maar desalniettemin voldoende leedvermaak op de camping. Op de wisseldag stalde de ervaren kampeerfamilie Smit hun campingstoelen uit om met een zakje chips in de hand toe te kijken hoe een jong stel voor het eerst van hun leven een tent probeerde op te zetten. „Nog beter dan een realitysoap”, riep de familie Smit verheugd.

De jonge man en vrouw hanteerden ieder een andere strategie tijdens het opzetten van de tent. De vrouw hield zich kranig staande met een dikke handleiding in de hand, terwijl de man via YouTube een stap voor stap instructie probeerde te volgen, wat elkaar zichtbaar leek tegen te werken. De conclusie van de familie Smit na een paar uur: „Ondanks dat ze de haringen verkeerd hebben ingestoken, scheerlijnen knullig hebben gespannen, grondzeil onhandig hebben neergelegd, stond de tent er. Weliswaar binnenstebuiten met de buizen aan de buitenkant, maar behoorlijk knap.”

Ondertussen sms’te mijn vriendin, die met haar gezin op een camping verderop zat, dat ze gillend gek werd. Zij zat daar op een compleet verzorgde camping met animatie, speelbos en waterparadijs. In het sms’je stond: „In overlevingsmodus.” Toch had ze hier bewust voor gekozen uit angst dat haar kinderen zich anders zouden vervelen.

Op mijn strandcamping die, op een toiletblok na, geen faciliteiten had, hadden de kinderen niets meer dan een schep en hun fantasie. Elke dag werkten ze op het strand aan een ondergrondse tunnel richting China. „Zielig!”, sms’te mijn vriendin. Zielig? Ik keek naar de kinderen om me heen en zag dat met het gebrek aan entertainment, ze genoodzaakt waren te kijken wat er wel was. Leren we onze kinderen hun fantasie aan te boren, zichzelf te vermaken, voor geluk een beetje moeite te doen, of dat je in het leven altijd maar geëntertaind moet worden?

Voor mijn ouders is kamperen een uiting van extreme decadentie. Ze hebben in het verleden na hun vlucht uit Vietnam, op zoek naar een dak boven het hoofd, vol verbazing geroepen: ,,Dan hèb je een huis, ga je jezelf in een tent zetten. Alleen als je alles hebt, kun je het je permitteren jezelf vrijwillig in een situatie van schaarste te begeven. De keuze te hebben je even te ontdoen van luxe, te leven met deprivatie en ontberingen, met een toiletrol onder de arm.’’ Onbegrijpelijk, volgens hen.

In Vlissingen zwem ik elke dag in de Westerschelde vlak langs de enorme vrachtschepen. Een unieke ervaring. Tijdens eb komt de vaargeul behoorlijk dichtbij. Als een schip passeert worden de golven grillig en zuigt de stroom me dieper de zee in. Als ik naast zo’n gevaarte dobber, denk ik: het was zo’n vrachtschip dat mijn ouders begin jaren tachtig uit de zee heeft gevist. Na een jaar te hebben ’gekampeerd’ in afwachting welk land bereid was ze op te vangen, kregen mijn ouders groen licht van de Nederlandse overheid. De tent lieten ze achter zich. Er stond een huis met dak, toilet en douche voor ze klaar in Groningen. Kamperen, dat nooit meer.

Meer nieuws uit Opinie-Column

Net Binnen

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.