Vijf dichters in de race om de nieuwe stadsdichter van Leiden te worden

Scheidend stadsdichter Marianne van Velzen schrijft een gedicht op de ramen van de bibliotheek.

Scheidend stadsdichter Marianne van Velzen schrijft een gedicht op de ramen van de bibliotheek.© Foto Hielco Kuipers

Martin Aart de Jong, Pieter van Diepen, Raymond Tilma, Rosa Poell, Zoë van de Kerkhof
Leiden

Vijf dichters zijn nog in de race om de nieuwe stadsdichter van Leiden te worden. Uit een recordaantal van 32 inzenders heeft de jury gekozen voor deze vijf, die de strijd verder met elkaar aangaan.

Marianne van Velzen neemt na bijna vier jaar afscheid als stadsdichter. Ze heeft het ambt met verve vervuld. Wellicht is het daaraan te danken dat zo’n groot aantal dichters een gooi deed naar het stadsdichterschap.

Een driekoppige jury heeft de gedichten van de 32 inzenders anoniem gelezen en beoordeeld. De jury bestond uit cultuurwethouder Yvonne van Delft (GroenLinks), de Leidse schrijver en dichter Annemieke Dannenberg en Theo de With, kunstredacteur van het Leidsch Dagblad.

Zij waren vooral op zoek naar originaliteit. Een van de eisen was om een gedicht over Leiden in te sturen. Dat resulteerde in veel lofzangen op de singels en stegen van de stad, maar ook op Rembrandt en het Ontzet van Leiden. Wie voor een originelere insteek koos, had een streepje voor.

De vijf genomineerde dichters zijn: Martin Aart de Jong, Pieter van Diepen, Raymond Tilma, Rosa Poell en Zoë van de Kerkhof. Op zaterdag 11 september treden zij voor het eerst live op tijdens het Van Rijn Festival en de Poëzienacht op de Burcht.

De finale is op 15 november en dan wordt bekend wie zich de komende drie jaar de stadsdichter van Leiden mag noemen.

Afgestofte sterren

Daar!

Daar ging er een!

Een snelle streep van licht

op het schoolbord van de nacht

Ik vraag me af

hoe het zou zijn om door de

dampkring heen te breken

Eerst gewichtloos dolen

door een oeverloos heelal

en dan nadert daar de aarde

als een bal waar je van wegkijkt

en die

BAM!

een oogwenk later

tegen je gezicht aan knalt

Of ik meteoren wilde tellen

op het houten dakterras

van een huis waar ooit de dichter

JC Bloem zijn boeken las

Ik vraag me af

hoe hij de Langebrug

meer dan een eeuw geleden zag

Liep hij stuurloos

deze steegjes op en neer

alsof elke hoek het antwoord

op een niet gestelde vraag

zou kunnen geven

Heeft hij daar vaak

aan gedacht

voordat hij ‘Verlaine’

heeft geschreven?

Op een steenworp afstand

van de rechtenfaculteit

stralen Leidse meteoren

op het schoolbord van de nacht

Kijk, daar gaat er nog een

en ik hou het krijtje vast

Rosa Poell

Langs de Limes

We liepen langs de Limes, Lucius en ik,

legionairs in Caesars leger

en eigenlijk te dik.

Van Laurium tot Lugdunum

dertig mijlen langs de Rijn

sjokten we op sandalen

en hadden dertig palen pijn.

De laatste mijlpaal voor Matilo

voeten rood en zwaar geblaard,

wisten we: we zijn er bijna,

bijna is de klus geklaard.

Lucius riep ‘nog even!

Nog een mijltje vanaf hier.

Als we nu wat extra geven

bibamus Bataafs bier!’

En dus liepen we iets sneller

dan ik eigenlijk nog kon

in de laatste duizend meters

van onze Leidse marathon.

Raymond Tilma

Voor-Beeld

De een verpandt zijn hart aan de natuur

De ander houdt van weidse vergezichten

Maar ik, ik houd vooral van de gedichten

Die prijken op zo menig Leidse muur

Je loopt erlangs, je staat er soms een uur

Je voelt het vers je hele hoofd verlichten

En ik, ik absorbeer al die berichten

Die teksten vol van passie en vol vuur

Wie zijn dat toch die ons dit alles geven?

Wie zetten al die fraaie letters neer

En laten al die mooie woorden leven?

Aan Ben en aan Jan Willem alle eer

Dat duo, zo bedreven en gedreven

Maar ach, helaas, Jan Willem is niet meer

Pieter van Diepen

Solo

Leiden in de regen is mij net zo lief als de meiregen vol regenbogen buiten de polder, buiten Leiden, buiten mij. Zou ik opnieuw geboren worden, dan zou het hier zijn, ook al spoel ik het station uit door het riool van de Steenstraat waar shoarma en plakkaten kauwgom je melden dat de wereld plat is en dat je uit moet kijken dat je het asfalt niet verwart met afval, nee dan nog. Al had ik het gat van van der Putten moeten vullen met een boekenkast vol ongelezen gedichten met tien ton subsidie uitgekotst, ik etste ze zelf met spinrag op de muren. Wie neemt mij het water af wanneer ik door de grachten vaar en weet dat al die golven liefde, schoonheid en dat oud verweer van jaren die geruststellend op de wal op wacht staan alsof geluk toch bestaat. Al tikte ik als een kind mijn eigen maat op een xylofoon die nooit doet denken aan het carillon, mijn eigen gestapelde blokkentoren die geen schim is van de toren op het Stadhuisplein, dan nog. Dan nog zouden mijn vingers schrijven. Dan nog zouden mijn lippen prevelen. Dan nog zou ik waar dan ook, in de van 't Hoffstraat, in Zuidwest, in het Noorderkwartier, zo lief als in de Breestraat lucht happen als een saxofonist die straalbezopen liederen spuugt op passerende mensen. Ik laat mijn toonladder uit voor jou, mijn Leiden, mijn stadmuziek, heel mijn leven.

Martin Aart de Jong

De duivels van de daken

Ze filosofeerden over tijdloze dagen.

Ze zochten naar diepere lagen,

over feitenkennis en over het niets.

Ze vonden eer, schuldgevoel en nog zoiets.

Hadden ze zich misdragen?

Hadden ze iets misdaan?

De een vond van wel, de ander was het ontgaan.

De duivels van de daken.

Ze krijsten over broodzaken.

Ze schreeuwden over het vliegbeleid,

over de vorige aanval en nooit meer spijt:

De inbraak in de kerk was als gewoon.

De mensheid onder poepen was haar verdiende loon.

De chocoladeroof vroeg naar meer,

maar een duif onthoofden was hun eerste keer.

Het was een aanval zo genadeloos en desastreus.

Waren ze écht te ver gegaan?

Het was ogenschijnlijk bruut en kil.

Ze zuchtten, het was even stil.

En in die stilte hoorde je,

de verdraaiing in hun ziel

de hapering in hun gedachten.

Zouden ze het leed nog kunnen verzachten?

Nee er was niet zoiets als vergeving.

Er was niet zoiets als beheersing.

Zij waren de baas! In ieders beleving!

Het gesprek was over.

Ze zeiden elkaar gedag.

Ze spreidden hun vleugels

en vlogen weg met een lach.

Zo werden de duivels van de daken

de soldaten

van de lucht

en de minnaars

van de wind

Nee, er was niet zoiets als vergeving.

Zoë van de Kerkhof

Meer nieuws uit Leiden

Net Binnen

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.