Een Vietnamese toerist vraagt aan Nhung Dam: ’Excuse me? You from here?’ | column

Nhung Dam

In gedachten was ik in Azië. Ergens was ik dat ook; omringd door tamarinde, kokosnoten en citroengras. In de verte zong een Chinese vrouw. Volop mensen die liepen te fantaseren over wat er vanavond op tafel gezet zou worden.

Hier en daar werd er in een papaja geknepen met een sensualiteit alsof het een borst was (Nee, niet rijp) en verderop werd er met grote ernst aan een bos Thaise basilicum geroken alsof het de wereldbevolking zou moeten redden.

Azië. Alleen, geen hete zon op mijn huid, maar een koude lucht uit de vriezer die het gangpad inblies. De megatoko wist er best wat van te maken. Mij krijg je niet blijer dan me een middag los te laten in zo’n winkel. Liever dan een middag Artis, Efteling of de bios.

In mijn jeugd nam mijn vader van zijn reizen uit Vietnam wel eens een mangosteen mee. „Die hebben ze hier niet”, zei moeder. Partje voor partje sabbelden we eraan, wetende dat het nog jaren kon duren voor we nog eens zo’n exotische decadentie konden proeven. We zagen dat moeder hiermee even weer thuis was. „Eet maar, dan onthouden jullie waar we vandaan komen”, zei ze. Vader was met zijn invoerhandel de held, de importeur van exotische delicatessen voor het gezin. Veel producten waren nog niet te krijgen in de supermarkten of toko. Daar waar de buurvrouw in de lente radijs en sla zaaide, stopte moeder in maart de bewaarde zaden uit die exotische vruchten in de Hollandse bodem.

Doerian is nu te verkrijgen, maar kost bij de toko zo’n vijfentwintig euro voor twee partjes. Voor mij is het een soort thuiskomen tussen alle etenswaren uit mijn jeugd te dwalen. Overvloed. Geen schaarste. Al zou ik niets kopen, alleen al wat rondzwerven tussen de uitlekmandjes en vissaus, wetende dat het er allemaal is.

Een stel komt op me af en vraagt: „Wij komen uit Oostzaan, en hebben geen idee hoe en wat. Zijn hier ook maar naartoe gestuurd. En ik denk dat jullie dat beter weten.”

„Wat bedoelt u met jullie?”, vraag ik.

„Nou, ik weet niet of je Japan bent, of China”, zegt de vrouw. „Maar jullie zijn toch opgegroeid met Confucius. Wat zegt die over welke van de deze jasmijnthee je het beste kalmeert? Jan heeft last van stress.”

Als ik even later richting de kassa loop, vraagt een Vietnamese toerist aan me: „Excuse me? You from here? You look from here.” Ik knik wat onhandig, omdat ik niet goed weet of ze Nederland bedoelt, of de toko. Of de wortels van mijn ouders. „What is this?” Ze wijst op een potje met gele inhoud. „Mosterd”, zeg ik. Ze kijkt wat verward. „Like wasabi, but Dutch.”

Volgens hen konden ze feilloos aan me zien waar ik hoorde of vandaan kwam. Maar ik wist wel beter. Ik ben iemand die opgroeide met jasmijnthee én mosterd. Verder kun je aan de hand van mijn uiterlijk vrij weinig opmaken over wie ik ben.

Meer nieuws uit Opinie-Column

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.