Loerend gevaar tijdens gemoedelijk fietstochtje | column

Maaike van der Plas

Mijn moeder en ik hebben al ruim vijftig kilometer afgelegd, wanneer het gevaar – letterlijk – op ons pad komt.

Ik ben op mijn gravelbike (een soort kruising tussen een racefiets en een mountainbike), zij op haar stoere elektrische rijwiel met zulke dikke banden dat ze op een strandfiets niet zouden misstaan.

Als verlaat verjaardagscadeau voor mij toeren we drie dagen over de onverharde paadjes in het Gooi vanuit een hotelletje in Naarden. Ik maak de routes en mijn moeder de foto’s. Samen genieten we van de omgeving, elkaars gezelschap en regelmatig ook een lekker broodje, stuk taart of biertje.

Tot nu toe hebben we de kilometers probleemloos weggetrapt. Geen technische malheur of lekke banden, geen verdwaalincidenten of onverwachte regenbuien. Maar net nu onze tocht over een dijkje leidt, is onze weg versperd. We komen abrupt tot stilstand. ,,Ik heb op de bordjes gelezen dat je wel 25 meter afstand moet houden’’, fluistert mijn moeder. En dat is lastig, als een Schotse hooglander midden op het pad staat.

Mijn familie heeft geen gelukkige relatie met wilde dieren. Een van mijn vroegste jeugdherinneringen is dat mijn ouders en ik werden aangevallen door een zwarte zwaan. Ik werd door mijn vader op de grond gekiept, zodat hij ons met de buggy kon verdedigen. Verder worden we regelmatig achtervolgd (of, in geval van mijn moeder, zelfs gebeten) door honden, lekgeprikt door muggen of midges (vooral mijn moeder) en vliegen er regelmatig insecten in onze mond of ogen (ook vooral bij mijn moeder).

De Schotse hooglander vormt dus een probleem. Door het steil aflopende dijkje kunnen we niet goed om hem heen en bovendien zitten zijn Schotse vrienden daar in het gras. We zouden een nieuwe route kunnen zoeken, maar besluiten even af te wachten. De hooglander kijkt ons uitdagend aan. De hoorns zien er indrukwekkend uit. Af en toe zet hij (of zij?) een stapje naar links of naar rechts.

Stilletjes moedigen we hem aan: ,,Kom op! Ga dan! Beetje verder nog!’’ Als hij een meter of twee van het pad is verwijderd, besluiten we het erop te wagen. ,,Je moet knallen, mam’’, instrueer ik. ,,Zo hard mogelijk erlangs!’’

Daar gaan we. Alsof we op de Champs-Élysées de sprint aantrekken voor de groene trui. Wanneer we langs het beest stuiven, kijkt hij niet op of om. Honderd meter verder zijn we veilig. Dan roept mijn moeder: ,,O nee! Mijn zonnebril is afgewaaid!’’

Een moment van vertwijfeling. Ze vertelt me de bril als verloren te beschouwen. Maar ja, al die insecten die in haar ogen kunnen vliegen… Ik ga terug. Stapvoets rijd ik richting de hooglander. Op tien meter afstand stap ik af en leg ik mijn fiets in het gras, met het stuur richting mijn moeder, zodat ik snel kan vluchten.

Vervolgens ga ik op zoek naar de bril. Mijn hart bonst in mijn keel en de hooglander slaat me nauwlettend gade. Ik speur naar het object, maar kan niets vinden. Dan zie ik mijn moeder zwaaien, de bril in haar hand. Hij was in haar capuchon gewaaid.

Voor moederdag vroeg mijn moeder een nieuwe zonnebril. Ik denk dat het geen kwaad kan om een reserve-exemplaar te hebben.

Meer nieuws uit Opinie-Column

Net Binnen

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.