De wil om niet te winnen, hoe zit dat? | column

Joost Prinsen

Er is weinig zo interessant in de wedstrijdsport als de wil om niet te winnen. Ik heb het niet over opzettelijk verliezen omdat dat toevallig goed uitkomt.

Een ploeg is al geplaatst voor de volgende ronde maar bij opzettelijk verlies treffen ze dan toevallig een makkelijkere tegenstander. Ik heb het niet over dat soort boerenkool slimheid.

In mijn archief, anderhalf krantenknipsel en een paardenkop, vind ik een opmerking van Nouchka Fontijn, een Nederlands bokser van wereldformaat. In 2019 won zij de wereldtitel middengewicht maar werd een uur na afloop van de finale tot verliezer uitgeroepen. Een protest van haar tegenstandster werd gehonoreerd. Een jaar eerder won ze ook zilver. Ze vroeg zich af of er niet één procent in haar zat dat helemaal geen wereldkampioen wilde worden: „Ik hou niet van status en ook niet van druk. Als ik wereldkampioen zou worden, dan zou ik me daarna snel een nietsnut voelen. Alsof het nooit meer goed genoeg is.” Aldus mevrouw Fontijn in een interview met Dennis Boxhoorn.

Wie zo’n gedachte voor één procent toelaat, laat hem eigenlijk voor honderd procent toe, denk ik. Het is een gedachte die niet alleen met druk te maken heeft maar ook met een gevoel dat winnen niet hoort.

Daar zijn rare voorbeelden van. Tim Krabbé schrijft in een van zijn prachtige wielerverhalen dat sprinters bij een massasprint zich vaak opstellen in volgorde van de te verwachten uitslag. Met andere woorden: iemand die altijd zesde of zevende wordt, gaat zich niet bemoeien met de strijd om de eerste plek. Hoort niet.

Zelf heb ik ooit aan een sterk bezet bridgetoernooi meegedaan. Met nog een uurtje te spelen stonden mijn partner en ik met ruime voorsprong op de eerste plek. Ik kan toch niet gaan winnen van spelers die veel beter zijn dan ik, dacht ik. Vanaf dat moment kon geen macht ter wereld mij nog van de nederlaag afhouden. We werden uiteindelijk derde.

Voorbeeld uit een andere hoek. Jaren geleden, zo vind ik in datzelfde dossier, won Wim Helsen de Polifinario, een prijs voor jonge cabaretiers. Zijn commentaar was „Iets in mij zegt: gij verdient dit eigenlijk niet.”

Wat is dat toch, dat calvinistische gevoel dat we niet goed genoeg zijn voor deze wereld? Dat de eerste plek iets is voor die andere jongens en meisjes. Waar komt dat stemmetje vandaan dat tweede of derde toch ook heel mooi is. Dat eeuwige excuus om niet te hoeven winnen. De wil om niet te winnen, hoe zit dat?

Ik zou het u graag willen vertellen maar ik weet het niet.

Iemand?

Meer nieuws uit Opinie-Column

Net Binnen

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.