Het spookbeeld van stil zitten en aankomen | column

Maaike van der Plas

Hoewel ik al vijf jaar als arts-assistent aan de slag ben, voel ik me in de rol van arts-onderzoeker echt nog een groentje.

Ik doe nu sinds juli fulltime onderzoek en maak me steeds meer taken eigen, maar luister graag naar degenen met meer ervaring. Dergelijk advies komt onder andere van één van mijn beste vriendinnen.

Zij is in een ander ziekenhuis bijna klaar met een promotietraject binnen de cardiologie en heeft alles al gezien of meegemaakt: haar naam prijkt bij een artikel dat de New England Journal of Medicine heeft gehaald (het meest prestigieuze wetenschappelijke tijdschrift in de geneeskunde), ze vliegt regelmatig naar de andere kant van de wereld om presentaties van een halfuurtje te geven over haar vakgebied, en heeft zelfs lugubere experimenten met lijken gedaan.

Ik kan haar woorden alleen met onvervalste ernst aanhoren. En wat ze te zeggen heeft, is angstaanjagend: ,,Pas op dat je geen kilo’s aankomt tijdens jouw onderzoekstijd! Ik was na een jaar achter een bureau zitten een stuk zwaarder geworden.’’

Deze waarschuwing raakt meteen een gevoelige snaar bij mij. Als amateurwielrenner is gewicht de vijand, maar ook het visioen van vijf kwartalen achter een bureau klinkt beklemmend. Gelukkig blijkt de werkelijkheid anders te liggen. In plaats van een sedentair bestaan moet ik mijzelf een bijna nomadische levensstijl aanmeten. Ik begin de dag vaak wel in mijn eigen onderzoekskamertje. Het is een hokje met twee bureaus en een raam dat uitkijkt op een gang.

Als ik aan de andere kant van die gang door nog twee ramen kijk en dan zo’n acht verdiepingen omhoog, kan ik door een derde raam een klein stukje buitenlucht zien. Ter compensatie hangt er boven mijn computer een poster met daarop een tropisch strand. Desondanks vind ik het een fijn kantoor om te werken. Als ik de lichten uitdoe, kan ik in het donker met mijn koptelefoon op in volledige concentratie naar MRI-scans kijken.

Na een ochtend in dit geïsoleerde stiltecentrum krijg ik echter behoefte aan sociaal contact. Dan migreer ik twee verdiepingen naar boven, waar mijn onderzoekscollega’s hun kantoor hebben. Als er eentje op vakantie is of thuiswerkt, mag ik daar een bureau inpikken. We werken dan met maximaal vijf mensen op een kamer. De dag wordt vaak gebroken door het begeleiden van deelnemers aan één van de lopende studies.

Ik haal ze op in de centrale hal (begane grond), ga met ze bloedprikken (tweede verdieping), neem ze mee naar de poli voor het invullen van medische vragenlijsten en het verrichten van een neuropsychologisch onderzoek (derde verdieping), lever ze af bij de MRI-scan (vierde verdieping), haal ze op voor een ruggenprik (derde verdieping), laat zien waar het restaurant is voor de pauze (tweede verdieping) en zwaai ze uit aan het eind van de dag (begane grond). In combinatie met een vergadering bij het koffietentje naast het ziekenhuis, zet ik op sommige dagen makkelijk 10.000 stappen.

Ik koppel mijn bevindingen terug aan mijn ervaren onderzoeksvriendin. Ze is blij voor me en stipt meteen een ander voordeel uit het wetenschappelijk bestaan aan: ,,Nu je even geen avond- of nachtdiensten hebt, kom je binnenkort bij me eten? Dan bestellen we van die lekkere shoarmapizza’s!’’

Ik stem meteen in. Ook nomaden moeten eten.

Meer nieuws uit Opinie-Column

Net Binnen

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.