Schelpenonderzoek als cultureel erfgoed | Column

Nico van Straalen

Op het strand vind je schelpen. Niet iedereen realiseert zich dat het schelpdier dat daarin gezeten heeft, twee schelpen had, een linker en een rechter. Als het dier dood is spoelen ze los van elkaar aan, maar aan de afdruk van spieren aan de binnenkant kun je de linker en rechter schelp nog herkennen.

Regelmatig kon ik daar indruk mee maken op mijn familie als we een strandwandeling maakten: kijk, dit is een linker en dat is een rechter schelp. Hoe zie je dat? Het is een typische eigenschap van een biologiedocent om zulke dingen aan te wijzen.

Als je, lopend over het strand, gaat bijhouden hoeveel linker en rechter schelpen je vindt, merk je dat er op sommige plekken veel meer linker dan rechter schelpen liggen. En een eindje verderop is het andersom. De schelpen liggen gesorteerd op het strand. Hoe kan dat?

Dit verschijnsel heeft biologen al lange tijd beziggehouden. Zo ook de in 2010 overleden Nederlandse bioloog Jan Lever. Afgelopen woensdag was zijn sterfdag; hij zou dit jaar 100 geworden zijn. Lever was hoogleraar dierkunde aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij heeft in de jaren vijftig de faculteit Biologie van de VU opgericht en had een grote invloed op de ontwikkeling van de biologie in Nederland.

Bij het grote publiek werd hij bekend vanwege de vele lezingen die hij heeft gegeven over de relatie tussen creatie en evolutie. Hij heeft ervoor gezorgd dat de gereformeerde achterban van de VU vertrouwen had in de biologie die aan de VU onderwezen werd. In zijn boek uit 1958, ’Creatie en Evolutie’ betoogde hij dat de Bijbel niet gelezen moet worden als een natuurwetenschappelijke verhandeling en dus ook niet in strijd is met het onderwijs in de evolutiebiologie.

Vanwege zijn honderdste geboortejaar organiseerde de VU een symposium over Jan Lever en ik mocht daar ook een verhaal houden. Ik ben namelijk te beschouwen als een van zijn wetenschappelijke achterkleinkinderen. Ik ben gepromoveerd bij professor Joosse, die gepromoveerd is bij professor Vlijm, die gepromoveerd is bij professor Lever.

In mijn lezing vertelde ik over het schelpenonderzoek van Lever. Hij heeft in de tijd dat ik student was proeven gedaan op het strand van Schiermonnikoog. Hij had op de werkplaats van de VU 24.000 schelpen van kunststof laten maken, allemaal van het zaagje, een vrij algemene soort aan de Nederlandse kust, herkenbaar aan de fijne tandjes op het rechte deel van de schelp.

Hij had linker en rechter schelpen laten maken, grote en kleine en schelpen met en zonder boorgat van roofslakken. Ze waren gekleurd, zodat je ze terug kon vinden. Op een stuk strand bij paal 8 legde hij bij laag water een hoop schelpen, linker en rechter door elkaar, en als de vloed eroverheen geweest was keek hij waar ze terecht gekomen waren.

Wat bleek? In de opkomende golf hebben de schelpen de neiging om te gaan draaien. De rechter schelpen draaien linksom en de linker schelpen rechtsom. Tijdens de teruggaande golf draaien ze nog een half rondje door. Het resultaat is dat de linker en rechter schelpen, afhankelijk van de richting van de stroming, verschillend getransporteerd worden. Dit verklaart het sorteereffect dat zoveel biologen al waargenomen hadden.

Het was een uniek onderzoeksproject van Lever, dat hij uitvoerde met talloze studenten die met hem een zomerkamp op Schiermonnikoog deden. Het is nergens ter werd zo grondig uitgezocht. Maar het is ook typisch een onderzoek dat nu niet meer gedaan wordt, vanwege de zuiver wetenschappelijke vraagstelling.

Het was erg goed voor studenten om ze te trainen in het doen van onderzoek, maar de maatschappelijke relevantie is ver te zoeken. Dat desondanks zijn wetenschappelijke achterkleinkind er nog een lezing over zou geven, dat had Jan Lever waarschijnlijk zelf ook nooit gedacht. Het Leverse schelpenonderzoek is cultureel erfgoed geworden.

Meer nieuws uit Opinie-Column

Net Binnen

Ombudsteam

Ons Ombudsteam springt in de bres voor de consument.