125 jaar ’Augustijnse’ geschiedenis

125 jaar ’Augustijnse’ geschiedenis
© Foto Arthur Koppejan
Het huidige bestuur van Augustinus, vooraan in het midden zit voorzitter Myrna van Dijk.

Om 21:07 begint elke maandag de borrel aan het Rapenburg 24. Op dat tijdstip werd in mei 1893 de oprichtingsakte van R.K.S.V. Augustinus ondertekend door een groep jonge katholieken, onder wie Piet Aalberse, later de eerste minister van Arbeid.

Behalve Aalberse stond ook Charles Ruijs de Beerenbrouck, de eerste katholieke minister-president, aan de basis van de studentenvereniging. Aalberse nam het voortouw bij de oprichting, en Beerenbrouck was de eerste voorzitter. Als prominente katholieken in de landelijke politiek speelden ze een grote rol bij de emancipatie van deze bevolkingsgroep. 125 jaar later is het selecte groepje uitgegroeid tot een bruisende vereniging met 1900 leden. Door de jaren heen veranderde de vereniging, die vanaf vrijdag haar lustrum viert, drastisch van karakter.

Oprichter Aalberse wilde de katholieke studenten in Leiden assertief maken door ze bij te scholen in katholieke theologie en filosofie. Het doel was emancipatoir. De meeste katholieken konden het lidmaatschap van het corps niet betalen, dat bovendien ook nog eens protestants georiënteerd was. Katholieken moesten ook lid kunnen worden van een studentenvereniging. Augustinus moest voorzichtig manoeuvreren in het protestantse bolwerk Leiden. Een aantal studenten zag zelfs van lidmaatschap af omdat zij bang waren voor afkeurende reacties van hun protestantse hoogleraren.

Jezuïtenpater

Geloof en wetenschap waren het belangrijkst in de beginjaren. Gezelligheid was geen oogmerk. Aalberse zei bij de oprichting: „Deze Vereeniging moest zijn een supplement van de Universiteit, waar de Hoogleeraren, hoe onpartijdig ook, niet mogen en niet kunnen geven datgene, waar aan de Katholieke Student als Katholiek behoefte heeft.” De eerste Augustijnen hielden zich bezig met godsbewijzen en het ontkrachten van ’valse theorieën’ zoals het ’Darwinisme’. Bij de eerste vergadering van Augustinus, in mei 1893, zei de pas aangestelde Jezuïtenpater: „Ten spijt der ongeloovigen zullen wij in naam der wetenschap bewijzen dat de mensch een onsterfelijke ziel heeft.”

Gezelligheid

Rond de Eerste Wereldoorlog groeide Augustinus snel. In 1910 werd het eerste vrouwelijke lid toegelaten, en in 1919 waren er meer dan honderd leden. Het werd moeilijk om een ruimte te vinden die groot genoeg was voor de algemene ledenvergadering. Met de grote aanwas kwam er ook meer gezelligheid, zo werden de eerste disputen opgericht.

In 1926 verhuisde Augustinus naar het pand waar het ook vandaag nog zit: Rapenburg 24. In deze periode werd de ’novitiaatstijd’ (groentijd) bedacht. Studenten die in 1932 bij Augustinus wilden, moesten eerst een kennismakingstijd van ruim drie weken doorlopen. Daarin moesten ze bijvoorbeeld verplicht naar een vijfdaagse theologische cursus.

Tweede Wereldoorlog

Na de Tweede Wereldoorlog, waarin de Duitsers de vereniging ophieven, was de academische gemeenschap eensgezind. Onder anderen student Jan Mulders, die in 1940 voorzitter van Augustinus was, verloor zijn leven in het verzet. Uit saamhorigheid kwam daarom het idee dat alle studenten zich moesten verbroederen in één vereniging: Minerva. Voor gezelligheid moesten alle studenten naar het corps. Het resultaat was dat velen dubbel lid werden: voor het geloof gingen de studenten naar Augustinus. Voor de borrel en het sporten naar het corps.

Vanaf 1961 werd Augustinus weer een echte gezelligheidsvereniging. Het katholicisme leed onder de dubbele lidmaatschappen, en er was geen sfeer meer aan het Rapenburg. Als symbool van het herstel van Augustinus als gezelligheidsvereniging opende de vereniging in 1961 een nieuwe borrelruimte ’The Saint’.

Ontkerkelijking

De ernstige toon van de oprichters over het geloof, was in de jaren 1960 ver te zoeken. In 1958 moesten nieuwe studentes in de groentijd nog discussiëren over ’het probleem van een niet-katholiek vriendje’. Eind jaren 1960 was Augustinus volgens een bestuurslid zelf, niet erg katholiek meer. Op de algemene ledenvergadering werd de katholieke identiteit zelfs bespot door een ingezonden stuk namens ’Den Room-katholieke Partij ter Rooms-katholieke behartiging der Rooms-katholieke belangen der Rooms-katholieke studenten’.

Quintus

In 1970 veranderde Augustinus van naam, het ’R.K.S.V.’ en ’Sanctus’ verdween. De leden namen eensgezind afstand van de katholieke wortels. Augustinus ontkerkelijkte, net als grote delen van Nederland. Over de structuur van de vereniging waren de leden sterk verdeeld. Augustinus schafte de ontgroening af en de studentenclub veranderde hierdoor nog sneller. Ze kreeg een meer open karakter en werd in 1979 zelfs een jongerenvereniging. De teleurgestelde leden, die een gesloten studentenvereniging wilden, sloten zich massaal aan bij het pas opgerichte Quintus. Augustinus kreeg nauwelijks inschrijvingen terwijl Quintus snel groeide. In 1983 besefte het bestuur dat de jongerenvereniging een mislukking was. Het roer moest om.

Augustinus herstelde het studentikoze karakter van de vereniging. De kennismakingstijd kwam terug, net als de ’cordialen’ (jaarclubs) en ’gezelschappen’ (disputen) die nu nog bestaan. Aan de vooravond van de lustrumvieringen in de Mors is de vereniging springlevend. Met de ijverige rooms-katholieken die de vereniging oprichtten, delen de huidige leden echter zo goed als niets.

Wil je niks missen van Leidsch Dagblad? Like ons dan op Facebook!

Het laatste nieuws