’Dit is mijn dierbaarste boek’

De Tweede Wereldoorlog tekende de levens van de ouders van Oegstgeester schrijver Hans Ulrich. „Mijn vader is 86 geworden. De laatste jaren van zijn leven werd hij ’s nachts badend in het zweet wakker. Hij was geobsedeerd: bang dat Duitsers kwamen.” Ulrich zette de oorlogsgeschiedenis van zijn ouders uiteen in zijn nieuwste roman, ’De vader die terugkwam’. „Het meest dierbare boek dat ik ooit heb geschreven.”

Ulrichs vader kwam uit Wenen. „Mijn opa moest in 1914, een jaar na mijn vaders geboorte, onder de wapenen en kwam in een Siberisch strafkamp terecht.”

Het arme Wenen was in die tijd niet de beste plek om op te groeien. „Mijn vader werd met 250 andere kinderen op een Rode Kruistransport gezet naar Nederland. Daar kwam hij terecht bij een katholiek gezin dat geen kinderen had en blij was met het ventje. In 1920 kwam mijn opa, na jaren strafkamp, als woesteling terug. Hij was niet blij met de nieuwe situatie. Mijn vader ging vervolgens als een pakketje heen en weer tussen Hengelo en Wenen.”

Tegelijk groeide Ulrichs moeder op in Hengelo. „Ze kwam uit een straatarm gezin, kreeg soms rauwe koolraap mee naar school en stond tegen de muur van de bakkerij om de geur van brood te ruiken. Maar mijn moeder had iets heel bijzonders: ze was het mooiste meisje van Hengelo.”

Zijn vader verdiende bij als violist. „Op een dag kwam hij mijn moeder tegen en het was liefde op het eerste gezicht. Maar zij protestants en hij katholiek… mijn ouders en schoonouders waren zo verontwaardigd dat ze niet bij het huwelijk aanwezig waren.”

In 1939 werd Hans Ulrich geboren. „Mijn vader was koppig: door het huwelijk met mijn moeder had hij zo Nederlander kunnen worden, maar dat wilde hij niet. Hij wilde Oostenrijker blijven en dat bleek tijdens de oorlog een grote fout. Als Oostenrijker werd hij namelijk opgeroepen voor de Duitse Wehrmacht. „Mijn vader, een verzetsman, deserteerde. Nou, en dat betekende toen gewoon dat je tegen de muur werd gezet. Mijn vader dook onder bij een boer in de Achterhoek.”

Dat betekende vervolgens ook dat de jonge Hans jarenlang geen vader had. „Maar zonder dat ik het wist, zag ik hem toch. Op een fiets met houten banden gingen mijn moeder en ik regelmatig op bezoek bij een hele leuke man die ome Jan heette. Ik mocht nooit weten dat dat mijn vader was. Naast ons in de straat woonden NSB-ers. Mijn moeder hield vol dat ze was verlaten door haar man en geen idee had waar hij uithing.”

Twee maanden voor het einde van de oorlog werd ’ome Jan’ eerlijk over zijn ware identiteit. „Ik had mijn vader weer terug! Kort na de oorlog koos hij dan toch voor het Nederlanderschap.”

Terugkijkend is het een wonder dat zijn vader al die jaren nooit gepakt is. „Op een bepaald moment was een Duitse officier op weg naar Dortmund om zijn vrouw te zien. Hij wilde een nachtje op de boerderij logeren en tegen een Duitse officier zei je geen nee. Die Duitser heeft een avond lang met mijn vader over de oorlog gepraat. Hij schatte in dat mijn vader ondergedoken zat, maar heeft hem nooit verraden. Hij gaf hem zelfs zijn pistool: schiet me maar dood. Wat mijn vader natuurlijk niet deed.”

De oorlog was niet zwart wit, niet alleen maar goed of fout. „Mijn oma stuurde vanuit Oostenrijk ansichten met een triomferende Hitler. Maar ja, die zat natuurlijk in een heel andere omgeving: Oostenrijk was geannexeerd door Duitsland. Mijn moeder bewaarde al die kaarten overigens wel en confronteerde oma er na de oorlog mee. Die daarop ontzettend kwaad werd en de ansichten verscheurde.”

Een oma als fanatiek Hitlerfan, een vader die ondergedoken zat: de oorlog was ingewikkeld. „Ik ben ontzettend trots op mijn vader en ook op mijn moeder. Kun je je voorstellen hoe bang ze geweest moesten zijn in die jaren? Overal oppassen, overal Duitse klootzakken. Echt, waar ik tijdens de research voor mijn boek allemaal achter kwam… Ik had in hun plaats echt in mijn broek gescheten.”

Wil je niks missen van Leidsch Dagblad? Like ons dan op Facebook!

Het laatste nieuws