Omgaan met tegenslag moeilijk voor twintiger

Het leven aan je voeten: voor de huidige generatie studenten en jongwerkenden (geboren tussen 1985 en 1995) zijn de mogelijkheden eindeloos. Ze kunnen een studie kiezen omdat ze die leuk vinden, hebben door digitalisering meer sociale contacten dan ooit tevoren en geen sociale kaders. De perfectie ligt voor het oprapen. Maar deze grenzenloosheid heeft een schaduwzijde: nog nooit was het aantal depressies, burn-outs en andere psychische klachten onder deze groep zo groot.

Marcel Melchers, vijftien jaar studentendecaan aan de Universiteit Leiden, heeft die toename van dichtbij gesignaleerd. Hij krijgt dagelijks te maken met studenten in deze zogenaamde ’Quarterlife-crisis’. „Ik zie dat als een soort reality-check. Deze generatie heeft enorme verwachtingen, van het leven, maar ook van zichzelf. Dat het leven altijd leuk en makkelijk is, dat ze uitblinkers zijn en een gouden toekomst tegemoet gaan. Dat is niet altijd zo. Dat is een tegenslag om te verwerken.”

Melchers haast zich te nuanceren: dat geldt niet voor alle studenten, ook wil hij voorzichtig zijn met uitspraken over ’de jeugd van tegenwoordig’. „Maar een groot verschil met tien jaar geleden valt me op: de betrokkenheid van ouders.” Die blijven veel langer het leven van hun kinderen bepalen. Was het vroeger uitzonderlijk dat een ouder meeging naar een open dag van de Universiteit, nu is dat eerder de standaard. „Of studenten nemen hun ouders mee naar mijn spreekuur, iets dat vroeger nooit gebeurde. Soms zelfs bij iemand van achterin de twintig en voeren de ouders ook nog het woord. Dan begin ik het gesprek met de vraag: waarom komt u mee? Dat vind ik eigenlijk onnatuurlijk.”

De lange betrokkenheid van ouders herkent ook Willem Heuves, psychotherapeut en voormalig universitair docent psychologie in Leiden. „Ik zie hiervoor vooral externe factoren: je ziet dat ’volwassen worden’ door de tijd heen erg is opgeschoven. In de jaren ’50 kon je vanaf 18 jaar je eigen boontjes doppen, was je al aan het werk en ging een enkeling nog studeren op een beurs. Nu zijn studenten tot achterin de twintig financieel afhankelijk: er is geen beurs en alles met een bijbaantje of lening bekostigen, is lastig. Dat is voor de verhouding ouder-kind een grote verandering.”

Levensecht

Heuves is ook bezorgd over de social media. Toen die zo’n vijftien jaar geleden zijn intrede deden, was iedereen positief: kinderen die destijds op MSN (een populair chatprogramma in de jaren ’90) actief waren, deden het in het echt op sociaal vlak ook beter. „Nu is dat niet meer zo: digitaal contact is zo levensecht geworden, dat het bijna niet meer van echt te onderscheiden is. Maar het is natuurlijk niet echt.”

Bepaalde vormen van communicatie worden niet meer jong aangeleerd: constructief ruzie maken, kritiek incasseren en zelfreflectie. Dat gebeurt alleen in het echte leven. „Ruzie of kritiek over sociale media is eigenlijk altijd pesten”, zegt Heuves. Op een gezonde manier omgaan met meningsverschillen en je eigen aandeel in een vervelende situatie leren zien, is erg belangrijk. „Dat niet kunnen, leidt tot zelfoverschatting, niet tegen kritiek kunnen en een soort narcistische kwetsbaarheid.”

Dan is er nog het maakbaarheidsideaal, dat alles extra moeilijk maakt. Melchers: „Als die uitblinkerspositie er dan niet is en niet direct die geweldige baan komt, beginnen studenten aan zichzelf te twijfelen. Want: ’als ik hard genoeg gewerkt had, was het gelukt’. Dat is natuurlijk niet zo.” Met die maakbaarheidsgedachte zijn de ouders opgegroeid, zegt Heuves. „In hún tijd was dat de heersende gedachte.’’ Zij geven die nu aan hun kinderen door. ,,Maar we zien ook dat kinderen beseffen dat de samenleving waarin zij opgroeien, anders is dan die van een generatie geleden. Ze realiseren zich dat het leven niet maakbaar is.”

Wil je niks missen van Leidsch Dagblad? Like ons dan op Facebook!

Het laatste nieuws