Column René Diekstra: Opwinding

Column René Diekstra: Opwinding

In een cursus sociale psychologie laat ik studenten regelmatig de besproken inzichten testen.

Een van die tests gaat als volgt. De studenten verzamelen zich bij een plein naast de universiteit. Dan loopt een student op een teken van mij het plein op, staat stil, en kijkt met een hand boven de ogen de lucht in. Het effect op de mensen die passeren is nihil. Dan voegt een tweede student zich bij de eerste en doet precies hetzelfde. Ook dat heeft nauwelijks effect. Maar vanaf vier studenten - omhoog kijkend, wijzend, eventueel mompelend - blijven opeens veel meer mensen staan, gaan meekijken, vragen wat er te zien is en zelfs bij een maf antwoord - ’lijkt wel een soort ruimteschip daarboven’ - blijken sommigen daar ook iets van te zien.

Hoe kan het dat nep willekeurige voorbijgangers toch aanzetten tot meedoen alsof het echt is? Psychologen spreken hier van sociale bevestiging. Het is een van de krachtigste bepalers van ons gedrag en het werkt zo: naarmate meer anderen aan iets aandacht besteden, het leuk, interessant of goed vinden, of juist niet, naar die mate neemt de waarschijnlijkheid toe dat weer anderen dat ook doen. Het doet er daarbij nauwelijks toe hoe verzonnen, onzinnig of vulgair dat iets is.

Massale aandacht vermenigvuldigt zichzelf als een virus. Dat komt omdat sociale bevestiging bepaald wordt door twee in ons ingebakken neigingen. De ene is onze ’waarheidsverwachting’. We zijn evolutionair zo geprogrammeerd dat we, wat we horen, zien of lezen, in eerste instantie voor echt, waar of werkelijk aannemen. Krijgt een film in de krant 5 sterren, dan is onze eerste neiging denken dat het een verdomd goede film moet zijn, hoewel die vijfde ster op zich niets meer weergeeft dan het persoonlijke oordeel van de recensent/journalist.

Maar behalve behoefte aan waarheid hebben we evolutionair ook behoefte aan opwinding. We willen regelmatig een portie opwinding toegeworpen krijgen en het zal ons vaak worst zijn of wat ons opwindt, waar is of niet. Als een BN’er beweert dat iemand vulgaire beelden over hem of haar verspreidt en andere mensen gaan massaal op zoek naar die beelden, dan hebben wij ook de neiging dat meteen te doen. Zonder ons af te vragen of we mogelijk genept worden (de BN’er kan ook zelf die verspreiding hebben ’georganiseerd’). Het gaat ons om de opwinding. We zijn gewoonweg met niets zo gemakkelijk te paaien als met opwinding. Daarom, ook al moeten we er het halve internet voor afstruinen: die beelden zullen we te pakken krijgen. Zonder te beseffen dat wij intussen mogelijk zelf te pakken worden genomen.

Want wie nepnieuws verspreidt, is natuurlijk daarop uit: ons te misleiden. Mijn advies: neem de houding aan dat hoe meer opwinding of lawaai een bericht oproept, hoe onwaarschijnlijker dat het waar is. Het echte leven is nu eenmaal heel wat minder spannend dan het gros van de berichten erover.

Wil je niks missen van Leidsch Dagblad? Like ons dan op Facebook!

Het laatste nieuws