Column Tommy Wieringa: Haat is liefde

Column Tommy Wieringa: Haat is liefde

Annabel Nanninga, lijsttrekker voor Forum voor Democratie in Amsterdam, schreef als columnist en opiniemaker onbarmhartig over de stad die ze nu wil gaan dienen. Een onleefbare kutstad noemde ze het, een grafgat en een ’intens crimineel, goor, onveilig kutdorp vol kanslozen’ dat ze de rug zou toekeren zodra ze de kans kreeg.

Met zulke Amsterdammers heb je geen Rotterdammers meer nodig.

Zodra ze door Thierry Baudet werd aangezocht als lijsttrekker voor FvD, verschoot ze echter van kleur. „Nee, ik haat Amsterdam niet echt”, zei ze. „Ik houd van deze stad, maar ik zie wel dingen gebeuren waar ik kwaad van word’.

Dat klinkt al heel anders. Al heel redelijk zelfs, alsof het eerste compromis al in de maak is.

Permanente verontwaardiging en ontremde vuilbekkerij waren haar verdienmodel. Nu ze de politiek in gaat, heeft ze het ene verdienmodel vlotjes ingeruild voor het andere.

Ook over asielzoekers en migranten matigde ze onmiddellijk haar toon: het woord ’dobberneger’ voor migranten in bootjes op de Middellandse Zee had ze gebruikt om haar medeleven met die mensen te betuigen. ,,Kwetsen is soms nodig om je punt te maken’’, zegt ze daar nu over. ,,Maar ik schreef dat stukje juist uit pure compassie voor die arme sloebers die verzuipen op zee. Juist omdat er niks gebeurde om ze te helpen.’’

Ah ja.

Hoe we vervolgens haar toenmalige oplossing voor het vluchtelingenvraagstuk moeten duiden – ’hopen dat de ebola een beetje doorpakt’ – laat ze onvermeld.

We hoeven Annabel Nanninga, met andere woorden, niet op haar woord te geloven. Ze bedoelt het tegenovergestelde van wat ze zegt. Haat is liefde. Racisme is compassie. Scheldwoorden zijn koosnaampjes. In Theater Nanninga is niets wat het lijkt. Alles vermaak. Ook haar overstap naar de Amsterdamse politiek moeten we beschouwen als entertainment.

Mijn leestip voor Annabel Nanninga is ’Het ironische van de ironie’ van Harry Mulisch. Hij betoogt daarin dat ironie een gevaarlijk stijlmiddel is. Ze werkt alleen zolang we weten dat iemand eigenlijk iets anders bedoelt dan hij zegt, dat is de stilzwijgende afspraak van de ironie.

Mulisch’ richtte zich in zijn schotschrift tegen Gerard Reve, die racistische uitlatingen over zwarten en antisemitische uitspraken over Mulisch had gedaan. Hij was daar evenwel niet verantwoordelijk voor te houden omdat hij zich achter het masker van de ironie verschool. Maar, schreef Mulisch, intussen was het ironische spel ernst geworden. ,,De corpsstudent speelt net zo lang de man met de grote bek, tot hij het is. Dat is het ironische van de ironie: dat zij het plotseling niet meer is. Wie ironisch spreekt, zegt het tegendeel van wat hij meent, maar zodanig, dat een ander dat doorziet. Van het Reve zegt wat hij meent, maar zodanig dat de ander dat niet doorziet en denkt nog steeds met ironie te doen te hebben.’’

Dankzij Mulisch’ kraakheldere redenering weten wij nu dat Annabel Nanninga dobberneger bedoelt wanneer zij dobberneger zegt. De rest is gelul.

Wil je niks missen van Leidsch Dagblad? Like ons dan op Facebook!

Het laatste nieuws