Column Tommy Wieringa: Oproer

Column Tommy Wieringa: Oproer

In Brussel ben ik altijd op mijn hoede. Ik beschouw de stad als een oorlogszone, of, als dat te sterk is, een omgeving waar het centrale gezag het heeft afgelegd tegen de anarchie. De staat heeft het verloren van de straat.

Dat geldt in het bijzonder voor een paar wijken, waarvan Molenbeek de beruchtste is, maar zeker ook voor het historische centrum. Afgelopen weekeinde werd de Beursplaats kort en klein geslagen door zo’n tweeduizend feestvierende Marokkaanse supporters. De kerstmarkt werd verwoest, winkels werden geplunderd en straatmeubilair, auto’s en een stadsbus gesloopt. Meer dan twintig agenten raakten gewond.

De schade is, wanneer ik in de stad arriveer, grotendeels hersteld; de kerststalletjes worden weer opgebouwd, de gesneuvelde winkelruiten zijn vervangen. De stad herneemt zich vlug. Als ik aan een rokende ober buiten zijn restaurant vraag hoe het hier toe ging, zaterdagavond, haalt hij zijn schouders op. ’Niet zoveel aan de hand. Niks ernstigs.’ Hij doet er verder het zwijgen toe.

’s Middags heb ik een interview met een journaliste van De Morgen, ’s avonds zal ik bij literatuurhuis Passa Porta met Humo-journalist Mark Schaevers in gesprek gaan over mijn nieuwe boek. De tijd daartussen breng ik op mijn hotelkamer door. In de namiddag ontvang ik een berichtje van De Morgen-journaliste: ’Alles oké daar? Ik las net dat er weer rellen zijn vlakbij Passa Porta. Groetjes.’

Ik hoorde inderdaad de hele middag al sirenes, maar omdat dat het dagelijkse geluidsprofiel is van de stad, besteedde ik er geen aandacht aan. Ik ga naar buiten, over de Anspachlaan naar het Muntplein, waar de rellen zich concentreren, maar het grootste rumoer is alweer voorbij. Gedurende de namiddag en vroege avond zijn er her en der nog korte krachtmetingen tussen relschoppers en politie; op het Muntplein zijn een auto en de entree van de bibliotheek gesneuveld. Bij de Standaard-boekhandel vraag ik de verkoopster of ze de rellen heeft gezien. ’Rellen, rellen’, zegt ze. ’Het viel wel wat mee’ – alsof er niet zojuist honderden migrantenzonen met hoodies op stenen gooiden naar de politie en een auto en winkels sloopten.

Ik loop langs de vernielde glazen entree van de bibliotheek en vraag me af waarom sommige mensen rellen geen rellen willen noemen en de gebeurtenissen van zaterdagavond en woensdagmiddag ondanks hun eigen waarneming bagatelliseren. Ik probeer dat denkproces te volgen, dat zich volgens mij stapsgewijs voltrekt: als het geen rellen zijn, hoef je de aanstichters ervan geen daders te noemen, en hoef je over de volgende stap ook niet na te denken: benoemen dat die daders migrantenzonen waren.

Je gunt Brussel een burgemeester met de statuur van een Eberhard van der Laan, die pijnlijke conclusies niet uit de weg ging maar begreep dat als je van zulke jongens verantwoordelijke burgers wilt maken, je ze daartoe zult moeten opvoeden. Met inzet van alle middelen: de leraar, het boek, de opbouwwerker, de wijkagent. Veel zal mislukken, maar dat is geen reden om niet telkens opnieuw te beginnen.

Wil je niks missen van Leidsch Dagblad? Like ons dan op Facebook!

Het laatste nieuws